Moederveld

Inleiding
‘Moederveld’ is de eerste in een reeks columns waarin ik vertel over het sterven van mijn moeder (januari 2013) en hoe haar dood een nieuwe fase betekent in mijn relatie met haar.
Ze was ‘om den dooien dood’ geen makkelijke moeder, maar ik heb erg veel geleerd doordat zij mijn moeder was. Ze overleed, hoogbejaard, in 2013, maar ze is natuurlijk niet uit mijn leven verdwenen…
Riet 1953 - 004 Rietje bij mama op de armLaatst kwam er weer een nieuw facet in mijn bewustzijn van haar invloed, en in een innerlijk onderonsje’ vroeg ik haar:
‘Mam, waarom was jij mijn moeder?’
‘Om je uit te dagen,’ was haar antwoord.
En zo is het. Opnieuw kwam het besef van dat gegeven bij me binnen.
Ter ere van haar heb ik speciaal voor Moederdag (2016) de 13 blogs gebundeld die ik schreef over haar sterven en hoe dat – ook met terugwerkende kracht – onze relatie veranderde.
Ik kreeg er destijds veel reacties op. Van herkenning, ontroering; en de vraag of men de blogs door mocht sturen. Natuurlijk mag dat.

Een maand na haar heengaan:

Zojuist reed ik voor een boodschap een stukje richting Den Bosch en een vlaag van weemoed trok door mijn gemoed. Ruim een maand geleden stierf daar, in een verzorgingshuis, mijn 92-jarige moeder. Voortaan geen afspraakjes meer om haar op te halen en samen naar Zaltbommel te rijden voor een kopje thee in grandcafé De Verdraagzaamheid (!), of naar de Molen in Nieuwkuyk of De Rustende Jager in Helvoirt, of waar we maar ook neerstreken op onze ritjes door het Brabantse land. Gister nog schreef ik:

Vandaag voel ik me vrijer en energieker dan lange tijd hiervoor. Dat heeft
er zeker mee te maken dat Jeanne van Rooij-Goedmakers, mijn moeder, plaats heeft gemaakt in de aardse dimensie. Dat ‘moederveld’ dat evenzogoed dragend en steunend was, was ook bindend en drukkend, besef ik.
Tegelijk voel ik me meer verbonden met mijn moeder in die zin, dat ik haar houding in het leven van ‘niet flauw zijn’ in mij voel als een grondende innerlijke stem. ‘Niet flauw zijn’ is geen aansporing meer om me gevoelig en gekwetst tegen af te zetten, maar een welkome leidraad bij wat me te doen staat om nog meer ‘mij’ te worden.
Ik ben deze maand als vanzelf heel krachtig bezig met het opmaken van de balans van mijn leven. Ik voel schaamte, spijt, Weltschmerz en wat dies meer zij, en het is goed. Ik ga er niet aan ten onder. Ik ervaar het als helend, openend. En daar zing ik dan zo nu en dan een woordeloos lied mee mee. Daar word ik stil van.

Opgedoekt

Vannacht droomde ik voor het eerst sinds ze dood is over mijn moeder. Een gedenkwaardige gebeurtenis, ervan uitgaande dat de sluier tussen de werkelijkheden ’s nachts dun is en er echt een vorm van uitwisseling plaatsvindt. Ik hoopte er al op sinds mijn oudste zus Els een week na mijn moeders uitvaart droomde, dat ze naast haar kwam zitten in de bus. Els zei toen tegen haar: ‘Hé,mam, dat is niet de bedoeling, we hadden toch afscheid genomen?!’ Waarop mijn moeder, zo vertelde Els, weer zachtjes verdween.
Ons mam weet wel bij wie ze een kijkje komt nemen… dacht ik toen mijn zus dit vertelde. Ik zou haar vast en zeker aan de praat hebben gehouden om eens te informeren hoe het er aan de andere zijde aan toe gaat. En het is de vraag of ze daarmee – op weg naar het licht – gediend zou zijn. We moeten onze overledenen immers de ruimte geven om te gaan en hen niet vasthouden in aardse sferen met praatjes in de bus en ander ondermaans vertier. Zeggen ze.

Of mam vannacht werkelijk vanuit een andere dimensie bij mij op bezoek is geweest weet ik niet. En eigenlijk doet het er ook niet toe. Ik voel me toch wel verbonden met haar, en niet alleen in mijn herinnering. Ook in het nu, waar we ieder ons ding doen. Ik achter mijn laptop, zij elders in het universum, bevrijd van haar aardse kleed, zoals de indianen het zo mooi zeggen. Haar tweeënnegentigjarige kloffie was echt tot op de draad versleten, dus het is haar van harte gegund dat ze het kon afleggen. Haar reis gaat verder, en als ik me op haar afstem, zie ik haar jong en licht.
Zo niet in mijn droom! Samen met mijn zus Wil sta ik, met mijn oude stramme moeder in de rolstoel,voor de deur van haar kamer in het verzorgingshuis. Eerst het gebruikelijke gehannes met de sleutel, moeizaam opgediept uit haar tasje. Dan duw ik de deur open en wat zie ik? Kaal beton! Oh jé, die lege kamer… dit mag mama niet zien! Els legt er binnen de laatste hand aan, voor de oplevering. Maar dit is fout getimed, mijn moeders huisje nu al opgedoekt! Omdraaien maar…

Einde droom, maar zo was het wel, in het echt. Bijna. Beetje anders, maar toch! Wist jij, dat als je vader of moeder in een verzorgingshuis woont, de kamer één week na het uitblazen van de laatste adem volledig ontruimd en gereinigd opgeleverd dient te worden?
We hebben het gered, mijn broer, zussen, zwagers, mijn man en ik. Met verve, plezier en weemoed. Maar grof vonden we het, dat we in de dagen van onze eerste stappen in de realiteit van haar dood, met alle gevoelens die daarbij horen en met de taak, haar afscheidsdienst voor te bereiden, mijn moeders kasten moesten leeghalen en de hoekjes, gaatjes en laatjes van haar leven moesten doorploegen om ruimte te maken voor de volgende op de wachtlijst.
In mijn wensdroom stond ze erbij en keek ernaar, met plezier en weemoed, jong en licht. ‘Kijk ons nou, mam.’ ‘Ja, ik zie het.’

Dikke kont

Heb ik Kitty Kritiek weliswaar de boom in gestuurd, maar dacht je dat ze daarvandaan haar zegje niet meer deed? Ze staat al dagen op een dikke tak naar me te zwaaien en te roepen. Ze eist aandacht. Over die domme actie van me, een loos bericht te sturen. En de nog dommere actie daar weer een verklaring achteraan te bloggen. Die heb ik dan ook maar weer weggehaald, want ik geef Kitty gelijk. ‘Dat hoef je helemaal niet te doen,’ zegt ze. ‘Allemaal ruis.’
Waar ze me ook op aanspreekt, is op mijn onderwerp-tot-nu-toe: mijn moeder en haar dood. ‘Heb je niks anders te melden dan?’ blaft ze me toe vanuit haar beuk. ‘Beetje sentimenteel doen over je moeder. Zo mooi en fijn was je leven als haar dochter toch helemaal niet! Doe jij dan ook al mee aan ‘over de doden niks dan goeds?’ Bah!’
‘Nondeju, Kitty, wat ben jij recht voor je raap zeg. Je lijkt… uhmm…mijn moeder wel. Die kon er ook wat van. Jij bent, oh innerlijke critica van me met je onversneden harde oordelen, duidelijk bij mijn moeder zaliger in de leer geweest. Je bent alleen een paar graadjes erger. Een punt heb je wel, daar niet van. Ik heb nog veel en veel meer te vertellen dan de mooie en ontroerende verhaaltjes uit ons mam d’r laatste weken, maar nu nog even niet. Dus ik ben zo vrij er weer een te plaatsen op mijn eigenste blog, waar ik me los wens te wanen van jouw bemoeienissen. En als ik ben uitverteld over ons mam, zal ik eens een boekje opendoen over jou, Pia Perfectionisme, Olga Onzekerheid en al die andere troela’s die ik met me meedraag. Ben maar niet bang dat je geen aandacht krijgt…’

Twee dagen voor haar dood zijn mijn zussen en ik mijn moeders kamer aan het herinrichten. Haar bed moet verzet, ze wil tv kunnen kijken, dus wij drieën sjouwen met kastjes en tafeltjes en installeren haar uitkijkpost. Buk ik me om een gevallen kleedje op te rapen, zegt ze: ‘Ge het un dikke kont!’ Ik proest het uit en zeg: ‘Als ik iets niet heb is het een dikke kont. M’n heupen zijn wat breder geworden, ja, maar mijn kont is niet dik. Die is plat en spits; daar krijg ik zelfs klachten over, thuis…’ We lachen samen.
Hoe vaak viel ik stil, of mompelde wat, als ze me kwetste met haar lompe kritiek.. ‘Wa hedde nou toch weer aan?’ ‘Wa zitten oew hoaren toch slordig.’ ‘Ge bent net un dikke pad…’ Niet alleen ik, iedereen kreeg ervan langs. Wij kinderen direct, anderen indirect. Chagrijnen  met dikke koppen en konten, lelijkerds, ouwe rimpelhoofden en dove kwartels bevolkten haar universum. Knappe meiden, een enkele leuke vent en wat lieve ‘meskes’ daargelaten. Maar wat ze vond, dat hield ze niet voor zich. Ik heb een lange weg afgelegd om de pijn van haar oordelen te kunnen voelen, uiten en loslaten. Een paar jaar geleden nog maar kon ik haar open en volwassen zeggen wat haar woorden met mij deden. Ze bood toen haar excuses aan en deed sindsdien haar best door mijn mooie ogen of leuke trui te roemen, maar haar aard kon ze niet verloochenen.
Nu, terwijl ik even later naast haar bed zit, vraagt ze: ‘Heb ik je daar nou mee beledigd, door wat ik over je achterwerk zei?’
’Nee, hoor, mam, ik weet wie het zegt,’ antwoord ik glimlachend. ‘Maar… wat zou je doen als ik ja zei? Zou je het dan terugnemen?’
Met een  twinkeling in haar ogen kijkt ze me aan. ‘Nee’, zegt ze dan. En ik twinkel mee.
Zo vlak voor de dood ons scheidt, besef ik achteraf, ‘op het scheien van de mert,’ slaag ik voor mijn eindexamen moederwondheling.

Mar énen dood schuldig

Het begon met een schilferend plekje op haar wang. ‘Wat heb je daar toch, mam?’ ‘Weet niet.’ Het deed geen pijn, maar ging niet weg. De dermatoloog gaf een zalfje; het was een onschuldige huidaandoening. Totdat ie ontaardde in plaveiselcelkanker. ‘Dat gaan we weer mooi in orde maken, mevrouw,’ zei de plastisch chirurg, en hij zette een stukje huid van haar dijbeen in haar wang. ‘Als ik er zo uit blijf zien ben ik net zo lief dood,’ was haar commentaar voor de spiegel. ‘Dieën dokter zou me mooi maken?!’ Wist zij veel dat plastisch chirurgen nog andere taken hebben dan de make-overs die ze op tv langs zag komen. En het bleek nog erger: er was een zenuw geraakt, met een scheve mond en een tranend oog tot gevolg. Nu kon ze  niet meer lezen, terwijl ze De rijstmoeder nog niet uit had en Het boek Dina al op haar lag te wachten. Gelukkig, het trok bij. Na een paar weken was haar gezicht weer recht. Die rare platte wang met grote poriën bleef, en ze vroeg zich keer op keer hardop af wanneer dat nou eens over zou zijn. ‘Dat gaat niet meer over, mam,’ zeiden we om beurten.
‘Dat ik dit nou toch mee moet maken. Zou het zijn omdat ik altijd zo ijdel ben geweest?’ vroeg ze zich een paar maanden later af. Haar verzorger had een bult in haar hals ontdekt, het bleek uitgezaaid en ze kreeg vijf bestralingen in de hoop op krimp, zodat het minder pijn deed. Het kromp niet, het ging open; een nare wond als gevolg.
‘Dit zal m’nen dood dan wel worden,’constateerde ze toen er niks aan te doen viel. Wonderlijk genoeg, gezien haar karakter, werd ze de maanden die volgden niet kwaad of chagrijnig, maar stil en zacht. Hoeveel moed had dit wijfie nodig om gewoon naar de eetzaal te gaan, terwijl iedereen kon zien – kon ruiken zelfs – hoe geschonden ze was? Zij, altijd keurig gekapt en met weinig rimpels – ‘Jij zeventig, tachtig, negentig?! Dat zou je niet zeggen!’, haar handelsmerk, forever young – ging nu met een sjaal losjes om haar hoofd de deur uit. Maar de spiegel in de lift toonde het toch: het was niet veel moois meer.
Bang voor de dood was ze niet. ‘Ik zie wel hoe het komt, ik wacht mar af. Ge bent mar enen dood schuldig,’ wat zoveel wil zeggen als: Iedereen die leeft gaat een keer dood. Het geschenk van het leven houdt in, dat we aan het eind ervan nog iets moeten, namelijk doodgaan. Dat hoeft maar één keer, ieder op zijn eigen manier: Ge bent mar enen dood schuldig.

Tien dagen

Oudjaar. We werden gebeld dat het niet goed met haar ging. Ze voelde zich beroerd en tegen de verzorgster had ze gezegd dat ze dood wilde. Els en ik reden er samen heen. Onderweg bemijmerden we dat het een symbolische dag was om te sterven, maar dat het ook zou kunnen zijn dat ze ons verwelkomde met: wat doen jullie hier met z’n tweeën?!
‘Wat fijn dat jullie er zijn,’ zei ze. ‘Ik voel me zo ziek, ik heb overgegeven.’
Even later kwam Hetty: ‘En wat gaat u dadelijk tegen de dokter zeggen?! Nee, kijk maar niet naar uw dochters, zeg het maar tegen mij.’ Met Hetty had mama veel op, het was haar lievelingsverzorgster. Het zal een jaar geleden zijn dat diezelfde Hetty me confronteerde met mijn dochterlijke kramp. Destijds maakte mijn moeder een of andere chagrijnige opmerking en terwijl haar krengerigheid mij lam sloeg, nam Hetty mijn moeders wangen tussen haar handen, gaf er klapjes op en maakte een grapje. Mijn moeder lachte, totaal ontwapend! Wat ze deed leek op die truc om een serpent van een vrouw in gedachten vlechtjes en roze sokjes te geven, of een bullebak van een vent een Lederhose en een feesthoedje te verschaffen, met elastiekjes om de oren… Jaloers besefte ik toen, dat Hetty iets kon wat mij vooralsnog niet lukte.
Was het concurrentie tussen Hetty en mij die me nu parten speelde, flabbergasted als ik was? Nee, dit was gewoon een doorgeslagen actie van Hetty. Alsof ons mam alleen tegenover haar bekende dat ze het leven zat was. Echt niet.
Even later vertaalde ik de officiële termen van haar huisarts over levenseindescenario’s voor haar: ‘Mam, de dokter bedoelt of je een spuitje zou willen als het te erg wordt.’ ‘Oh nee, dat niet. Maar het is fijn dat ze iets hebben voor als ik teveel pijn krijg.’En zo werd nog eens bevestigd: geen actief ingrijpen, maar wel het gebruikelijke rijtje van morfine, haldol en dormicum achter de hand.

De volgende dag stond ze weer op. Het ging immers beter. Op de deur van het tehuis verscheen een plakkaat met de mededeling, dat er buikgriep heerste. Verrek, zou ze..?  Nee, ze was op. Ze hing voorover in haar stoel, at wat havermout en sloot haar ogen. ‘Wil je weer naar bed, mam?’ ‘Ja.’
Ze sliep veel, kreeg meer pijnstillingspillen voor tijdens de verzorging, at muizenhapjes pap, kreeg lepeltjes water en sprak open over de kwetsbaarste onderwerpen. Toen ze haar glow-in-the-dark Mariabeeldje uit Lourdes zag staan begon ze Avé Avé te zingen, met een verlegen lachje. Ik viel in waar haar stem haperde. Ik kan me niet herinneren dat we ooit eerder samen zongen.
Elke dag was een van ons bij haar. Ze ontspande zichtbaar nu ze niks meer hoefde en genoot van alle aandacht. De pijn werd erger. Afgesproken werd, dat ze de volgende dag een infuusje zou krijgen met een begindosis morfine. Die middag nog zat mijn jongste zoon Maris naast haar op een stoel. Ze vroeg water en ik kwam met het glas en het lepeltje. Voor het gemak ging ik op Maris’ schoot zitten. ‘Nou mam,’zei ik, ‘dit is twee keer de omgekeerde wereld: ik zit bij mijn zoon op schoot, en ik voer m’n moeder met een lepeltje in plaats van andersom, zoals vroeger.’ Lachend knikte ze. Even later viel haar oog op de knuffel die op haar buik was beland, een kleurige schildpad die ik, als symbool voor haar ouderdom, voor haar 92ste verjaardag had meegebracht van mijn reis naar de Azoren. Ze gaf er zachte klapjes op en zei met een guitig gezicht: ‘Die is vannacht geboren!’ We keken elkaar gedrieën om beurten aan en Maris en ik proestten het uit ; ons mam hikte zachtjes mee van plezier.
Op weg naar huis dacht ik, nog nagrinnikend, aan wat mijn moeder me ooit vertelde: dat ze vroeger alleen al graag weer in verwachting zou raken omdat ze dan straks, als het kindje er was, weer tien dagen op bed mocht blijven liggen en verwend zou worden… Associeerde ze deze periode met een kraambed? Wat heerlijk voor haar. En waarom ook niet? Er was ook nu een geboorte op handen: die van haarzelf, in de andere wereld…
Iets wat ik toen nog niet wist, maar wat  al gauw zou blijken: haar bedlegerige laatste fase duurde, frappant genoeg, precies tien dagen.

Het pijnstilravijn

‘Sterk spul, hè,’sms-te ik met lichte spot naar mijn zus Wil, maar ik was ontdaan. Ik had mijn moeder met open mond snurkend aangetroffen, en ze gaf geen sjoege. Hoe lang zat ik daar nu al? Dankzij een pompje, een plakkertje en een infuusje was ze zo te zien compleet van de wereld. De pijn was de dagen ervoor erger geworden, de pijnstilling moeilijk stabiel te krijgen, de beurt was nu  aan de morfine. Maar klopte dit wel? Was deze reactie niet veel te heftig? De huisarts liep even binnen en ik vertelde hem hoeveel praats ze gister nog had, hoe we samen gelachen hadden. ‘Wees blij,’zei hij, ‘koester het maar. Pas na vierentwintig uur is het lichaam gewend aan zo’n begindosis, dus we kijken het aan.’
Haar lippen waren droog, dus ik pakte de vaseline. Ze schrok zich rot toen ik haar aanraakte. Haar armen vlogen omhoog en verwilderd zocht haar blik houvast. ‘Rustig maar, mam,‘en ik pakte haar hand, ‘kijk me maar aan.’ Dat deed ze, en ik zag de paniek in haar ogen plaats maken voor herkenning: ‘t is ons Riet mar, ‘t is goed. Ook leek ze iets te willen zeggen, maar dat lukte niet. Dit deed me denken aan het lied dat bij de begrafenis van mijn vader gezongen werd, 44 jaar eerder: ‘Ik roep uit de diepten tot u, Heer…’ Het was alsof mama in een pijnstilravijn gedonderd was en wilde roepen dat dit nou ook weer niet de bedoeling was…
‘Ik lig hier nie om dood te goan,’ had ze een week eerder nog kribbig gezegd tegen een verzorgster die vergat haar hoofdeinde weer omhoog te doen. En de dag ervoor: ‘Ik verrek van den honger.’ Drie hapjes pap verder was dat over, maar zo zette ze ons steeds weer op het verkeerde been.
Nu praatte en zong ik, met haar hand in de mijne. Het ene lied na het andere stroomde uit me, totdat ik afsloot met: ‘Laat ik nou maar eens stoppen. Misschien denk je allang: hou toch eens op met oew kattengejank.’ Mijn glimlach was voor ons allebei.
Ik moest naar huis, had afspraken, maar wilde haar niet alleen laten. Na Els gebeld te hebben loste zij me twee uurtjes later af. Al die tijd bleef mama onder zeil. Ik kuste haar op haar voorhoofd, streek over haar haar, vertelde haar dat ik gauw weer komen zou en ging.

De volgende dag fietste ik in de polder, uitwaaiend, op weg naar mijn geliefde struinplek langs de Bisonbaai. Waar was ze nou? Zou ze, nu ze vierentwintig uur gewenning achter de rug had, weer een beetje uit dat morfineravijn geklommen zijn?
Boven het land zag ik haar alsmaar voor me als de mooie jonge vrouw die ze ooit was. Licht, blij. In een wolkensliert steeg ze op van de aarde, zoals Aladin uit de wonderlamp. Maar de onderste punt van de wolk zat aan de horizon vast… Ik vroeg haar, daar in het blauw van de lucht, hoe het nou zat. Wat moest ze nog met dat oude zieke lijf hier beneden?
‘Ja,’ glimlachte ze,’dat gedoe en gesjor met dat pijnlijke logge lichaam, dat is me wat…’ Ze leek het niet erg te vinden. Dat moest nog even. Het was bijna klaar.
Om half 9 ’s avonds ging de telefoon. Mama was overleden.

P.S. Oda Ongeduld postte laatst de mededeling, dat dit de laatste bijdrage aan het moederthema zou zijn. Trek je er niets van aan, dat doe ik ook niet. Het verhaal van het heengaan van mijn moeder wil verteld worden tot het rond is, in de vorm die zich stap voor stap ontvouwt. Volgende week meer. Mijn verhalen van Wilde Wind, die popelen om verteld te worden, waaien niet weg. Ze warmen zich op aan de lentezon. 

De ringen

‘Och, vrouwke toch.’Ik aaide haar opnieuw over haar haar, kuste weer zachtjes haar voorhoofd. Wat was ze, nu ze dood was, opeens klein en tenger. Het was prachtig gegaan. Mijn zus Wil en haar man Theo waren die hele dag al bij haar geweest. Mama communiceerde lichtjes, kon aangeven dat ze geen pijn had, goed lag. Er had echter steeds meer slijm in haar adem doorgeklonken, en Wil en Theo, allebei ervaren verpleegkundigen, besloten haar op haar zij te draaien. En terwijl ze haar in hun armen namen, blies Jeanne haar laatste adem uit. Zo mooi. Zo geborgen. Wat waren we blij dat ze niet alleen was toen het gebeurde. Het gezwel was achter in haar mond opengegaan. Dankzij de morfine, echter, was ze niet gestikt maar zachtjes weggegleden.
Nog maar drie maanden daarvoor had ik, in de wolken boven de Azoren, een visioen gehad van haar dood. Ik maakte daar een sjamaanse reis; de verschillende werkelijkheden in het ondermaanse schoven er langs en door elkaar heen, gevoed en gedragen door de oceaan en de zeedieren daar. Ik zag er mijn moeder, met een gat in haar hals, haar laatste adem uitblazend. Ze liet me weten dat haar ziel er klaar voor was om te gaan. Aan het eind van onze ontmoeting daar beloofde ik haar, dat ik ervoor zou zorgen dat ze haar mooie rok zou dragen als we haar uitgeleide zouden doen – als altijd een dame.
Nu verzorgden we haar samen; haar haar mooi, mond gesloten, haar groene rok lag al klaar. Mijn zussen en ik stonden aan weerszijden van ons mam, toen ons Wil zei: ‘Wat doen we met de ringen?’ We keken elkaar aan…

Het zal zo’n jaar of tien geleden zijn dat ik een keer spontaan tegen mijn moeder zei: ‘Wat vind ik de ring die je nu draagt toch mooi, mam. Als je ooit doodgaat, wil ik die wel van je erven.’
De laatste weken kwam de gedachte aan de ring met de blauwe steen bij me terug, al had ik hem al lang niet meer gezien. Zou ze eigenlijk iets hebben afgesproken – met Els misschien, als oudste – over de bestemming van haar spulletjes? Ik nam me voor om het mama gewoon te vragen, een paar dagen later, onderweg erheen. Hoe spannend vond ik dit! De angst voor een ouderwetse sneer vol afwijzing bonkte in mijn borst. Ik liet ‘m wijselijk bonken; het besef dat de angst er was, zonder dat ik er iets aan hoefde te doen – of het erom zou laten – gaf ruimte. Ik was open voor wat komen zou. Eenmaal bij haar wierp mijn moeder me een aanleiding in de schoot.’Waar is mijn armband toch?’ Sinds ze op bed lag, droeg ze hem niet meer. ‘Hier, mam,’ en ik pakte hem.
‘Daar ben je echt aan gehecht hè?’ zei ik.
‘Ze knikte, en ik vervolgde: ‘Heb je er eigenlijk gedachten over wie hem straks, als je er niet meer bent, zal dragen… of je andere sieraden?’ Het was even stil.
‘’Nee,’ zei ze nadenkend, ‘toen Moeke dood was, legde tante Rietje alle sieraden op tafel en zei: wie wil er wat?’
‘Wil je graag dat wij het ook zo doen, mam?’
‘Zoiets, ja, zie maar,’antwoordde ze, en toen ik haar tussen neus en lippen vroeg of ze nog wist dat ik die ene ring zo mooi vond, knikte ze, mijn woorden voor kennisgeving aannemend. Het was duidelijk: dit vond ze iets voor na haar tijd, we mochten het zelf uitzoeken.
‘Ons Wil heeft wel het gebaksstel ingepikt,’zei ze toen opeens.
‘Ingepikt, nee toch?’wierp ik tegen.
‘Nou, nee, ze heeft het wel gevraagd,’nuanceerde ze, ‘en ze heeft zoveel voor me gedaan, met elke week de was en altijd maar mee naar het ziekenhuis en zo…’ Ik beaamde dat het Wil, ook wat mij betreft, van harte gegund was. ‘Ik beloof je, mam, dat we er geen ruzie over zullen maken wie wat krijgt.’ Ze zweeg. Aan haar gezicht was te zien, dat ze daar alle vertrouwen in had.

Nu keken de gezusters Van Rooij elkaar aan. Haar ringen? ‘Afdoen,’zeiden we, en Wil pakte mama’s ene hand, Els haar andere. ‘Deze vind ik zo mooi,’sprak Wil, en schoof de ring met de parel van onze moeders vinger om de hare, even passend. ‘En ik vind deze het mooist,’zei Els, en probeerde die met de bloedkoraaltjes. ‘En ik,’ bekende ik opgetogen, ‘die met die blauwe steen!’
Verwonderd lachend keken we elkaar aan. Els en ik doken mama’s la met sieraden in, vonden de ring met de aquamarijn, ik deed hem om en ook deze paste. ‘Dat is dan geregeld,’vonden we vrolijk.
Onze echtgenoten stonden erbij en keken ernaar. Hoe wij vrouwen dat met elkaar deden! Zo moeder, zo dochters… no nonsens: de ringen waren verdeeld. En onze broer Frans? Die was verguld met het gouden tientje dat in de dagen die volgden tevoorschijn kwam.

Een uurtje later werd haar lichaam opgehaald en weggebracht. Ze zag er inmiddels uit als een oude wijze grootmoeder, tijdloos. Haar linkeroog stond een ietsiepietsie open. Dat had, in de verte, iets ondeugends.

 

Heimwee

Vandaag heb ik heimwee. Heimwee naar de intensiteit van al wat ik hier beschreef, naar de vanzelfsprekendheid van wat mijn zussen, broer en ik samen deden, naar de mooie ontmoetingen met mijn moeder in haar laatste maanden.
Maar ik realiseer me ook dat alles waarover ik hier schreef de parels zijn; parels groeien, zoals je misschien weet, uiterst langzaam. En ze ontstaan dankzij irritatie, als reactie op het binnendringen van vreemde delen in de schelp. Hoe lang beleefde ik mijn moeder als irriterend, binnendringend, vreemd… Ik heb veel innerlijk werk verzet om de vrouw die me voortbracht te gaan zien als mijn grootste spirituele leraar omdat ze, gewoon door wie ze was, mij ultiem uitdaagde om te worden wie ik ben.
Ik verlang niet terug naar ons onvermogen tot nabijheid dat er zo lang was, naar de kwetsuren die ik opliep aan haar harde houding, naar de saaie, slopende bezoekjes waarbij de treurigheid van haar wonen in dat verzorgingshuis van de muren droop. De laatste keer dat ik haar in haar rolstoel van haar kamer reed om er even uit te zijn, was ze te zwak om de hele herejee van auto-in-en-uit aan te kunnen, de wind was koud, dus we stiefelden maar wat door de gangen. Uit het restaurant klonk gezang. Nooit wilde mama bij dat soort triest oudemensenvermaak aanwezig zijn, maar nu ik haar voorzichtig voorstelde om een kijkje te nemen knikte ze, nota bene met een vleugje nieuwsgierigheid in haar ogen. Vals zong de voorzangeres door de microfoon: ‘Niet kniezen, niet treuren, het leven is maar kort.’ Tientallen besjes zongen mee; een oude heer dirigeerde wat voor zich uit. Mijn moeder wiegde – godbetert – lichtjes mee op de maat. ‘Dat het zo ver heeft moeten komen,’dacht ik, ‘dat deze eigenzinnige vrouw met haar kapsones en drakerigheid hier nu zit te genieten van opwekkende samenzang voor bejaarden.’
Ik moest er stilletjes van huilen.

Alle geschenken en beperkingen van mijn moeder, het mooie en het lelijke, vormen – samen met alles wat mijn vroeg gestorven vader bood – de bedding voor mijn leven. Ik bouw erop voort, put eruit; het zijn de slijpstenen voor mijn ziel.
Een poos terug schreef ik er een gedicht over, in een poging mijn persoonlijke ervaringen als kind van mijn ouders naar het universele te tillen.

Ouders
Identificeren we ons met hen,
dan zijn ze vanzelfsprekend;
onderscheiden we ons van hen,
dan zijn ze raar.
Maken we ons van hen los,
dan voelen ze als vreemden;
gaan we onze eigen weg,
dan verdwijnen ze uit beeld.
Voelen we ons misdeeld,
dan zijn zij de schuld;
ervaren we onszelf als slachtoffer,
dan waren zij de daders.

Erkennen we de pijn in onszelf,
dan krijgen we oog voor wie zij zijn – of waren;
hebben we ons onvolkomen verleden geheeld,
dan zijn we in staat tot vergeving.
Beschouwen we onszelf als zielen in doorgaande ontwikkeling,
dan hebben we hen gekozen als leraren op ons aardse pad.
En vallen we samen met ons bestaan,
dan zijn we dankbaar voor Dat Wat Is.

De steen, de dood en het leven

In Orthen, een gehuchtje aan de noordkant van Den Bosch, rust een lieflijk kerkhofje. Daar ligt mijn vader begraven. Mijn moeder niet. Ze had niks met dat graf en – met haar tijd mee als ze ging – cremeren vond ze prima. Ze bleef mijn vader haar leven lang trouw, maar samen in een graf, daar merkte je toch niks van, dat hoefde niet. We betaalden dan ook al jaren geen grafrechten meer, maar omdat er geen nieuwe plekken meer gepacht kunnen worden op dat idyllische hofje, ligt het graf van Frans van Rooij er al vierenveertig jaar patent bij. Ik kom er zo nu en dan. Niet omdat ik per se daar moet wezen om contact met mijn vader te maken, maar ik houd van de verstilling, het oude Orthen dat er ademt. Mijn vaders vader en moeder liggen er ook begraven en als de wind er door de bomen ruist wordt mijn besef dat er een hele lijn van voorouders aan mij vooraf is gegaan gevoed. Daar houd ik van.
Op een dag in het afgelopen najaar ging ik erheen voordat ik mijn moeder bezocht. Staand onder de berk die zijn takken over mijn vaders graf buigt, stemde ik me haast vanzelf af op zijn wezen. Ik vroeg hem, of hij wat voor mijn moeder kon betekenen, of hij een handje kon helpen vanuit de dimensie waar hij vertoefde. Ik had zo met haar te doen. Het was fijn om de zielsverbinding tussen die twee aan te spreken en de lieve glimlach van mijn vader die ik voor me zag, gaf me troost.
Als symbool voor het lijntje dat ik met mijn vader heb, nam ik een los stuk leisteen mee van zijn graf. De wortels van de berk hadden het omhoog gewerkt.’ Ik ben nog even naar papa’s graf geweest,’ vertelde ik mijn moeder even later, ‘en ik heb een praatje met hem gemaakt.’
‘Zo,’ zei ze.
‘Ik heb hem gevraagd,’ vervolgde ik, ‘of hij Onze-Lieven-Heer wil vragen of je minder pijn kunt hebben of dat Hij je anders maar komt halen… Maar, ‘bedacht ik toen hardop, ‘ben je het daar wel mee eens?’ Verrast keek ze me aan. ‘Dat zou wat zijn,’ glimlachte ze hoopvol.
In zulke gesprekjes kwamen haar geloof in een of ander hiernamaals en mijn aanname dat we deel uitmaken van andere werkelijkheden dan de materiële, bijna vanzelfsprekend samen. Maar een priester hoefde ze er niet bij, tijdens haar ziekte of bij haar afscheidsdienst. ‘Die weten er toch geen van allen iets van,’ zei ze altijd. Het laatste wat ze over meneer pastoor opmerkte was, na de mis met Kerst: ‘Zo’n knappe vent. Zunde veur God dat die priester is geworden.’
Dat dan weer wel…

De steen van mijn vaders graf ging in de maanden die volgden een eigen leven leiden. Op mijn altaartje lag hij symbool te wezen voor mijn verbinding met het tijdloze. In diezelfde periode werd ik me ervan bewust, dat ik de dood – de mijne – al te vaak als een aanlokkelijk alternatief zie voor mijn geworstel op deze aardkloot. Daar wilde ik wat aan doen. Ik besloot om uit volle borst ‘ja’ tegen het leven te gaan zeggen – inclusief de nee’s. Om dat besluit te bekrachtigen nam ik me voor, om de-dood-als-oplossing in een zelfbedacht ritueel te verbranden. En wat was beter geschikt als tastbaar symbool voor de dood dan die steen?
Het ritueel kwam er nog even niet van – hoe verbrand je een stuk leisteen? – maar januari jongstleden, op de dag van mijn moeders crematie, diende zich een mogelijkheid aan: ik zou de steen meegeven aan mijn moeder, in de kist! Dan deed hij meteen mooi dienst als verbindingsstukje tussen mijn vaders plekje onder de berk en de as van mijn moeder.
Het speet de uitvaartconsulente zeer, maar voor de verbrandingsoven was die steen te groot. Dat spat en knalt teveel. En zo kwam het ervan, dat de steen van mijn vaders graf tijdens mijn moeders afscheidsdienst boven op haar kist lag, als een stille toehoorder van hoe hun viertal het woord nam, elk in een heel persoonlijk eerbetoon.

Ze zeggen, dat stenen de bibliotheken van de aarde zijn; dat ze al haar verhalen bewaren. Een steen neemt de trilling van alles wat er om hem heen gebeurt in zich op en als we stil genoeg zijn en luisteren, vertelt hij ons wat hij gehoord en gezien heeft.
Zo ligt dat stuk leisteen nu in mijn kastje met foto’s en spulletjes van mijn ouders. Als een zacht fluisterende getuige van wat was, is en zal zijn.

Naschrift
‘Ik schrok, ‘vertelde mijn zus me vandaag. ‘Ik wist niet dat jij de dood als oplossing zag voor de worstelingen van het leven.’ Ik vertelde haar erover. Ik ben niet suïcidaal. Maar ik kan me heel hopeloos voelen over wat ik hier kom doen. Dat is een deel van mijn pad. Laatst werd ik heel enthousiast bij het lezen van een interview met Arthur Japin. ‘Hij zegt het gewoon!’ dacht ik. ‘Hardop!’
Japin: ‘Ik ga vrolijk door het leven, maar ik vind het leven ook erg zwaar en ingewikkeld. Om dat tot een goed einde te brengen… Ik vind het leven eigenlijk te veel gevraagd voor een mens. Het is een te grote opdracht. Maar we gaan het tot het eind volbrengen. Alles wat leuk en vrolijk is, helpt. Daar geven wij ons van harte aan over. Intussen wacht ik al mijn hele leven op de dag dat het afgelopen mag zijn. Zo van: ik mag gaan. Dat lijkt me heerlijk.’
Dat liedje ken ik, maar als er van de vrolijke noot weinig te bekennen valt, trek ik mezelf – als de baron van Münchhausen – uit de modder. In een ritueel bijvoorbeeld. Of door te zingen. Of te bidden. Of door het leven te dansen, met alles erop en eraan. Zoals Godfried het hierboven zegt: ik creëer mij een weg… van schoonheid en troost. (Want het zal me toch niet gebeuren dat iedereen om mij heen denkt: die vrouw van dat liedje van Brigitte Kaandorp ’Ik heb een héééél zwaar leven’… Dat is Riet!)

Niks is wat het lijkt

Een dezer dagen heb ik mijzelf in contact met mijn moeder gedroomd. Nee, niet ‘s nachts, zoals laatst in die droom over de kelder. Wat? Heb ik die nog niet verteld? Ik droomde dat we met haar in ons huis van vroeger waren, op de binnenplaats. Ze lag in een ijzeren ledikant, maar opeens stond ze op. Met een wit gewaad fladderend om haar kleine gestalte, snelde ze naar de keuken met de zeven deuren. (Nee, dit is geen sprookje, zo’n keuken hadden we echt. In het centrum van dat kleine zakenpand kwamen de deuren samen van de winkel, de woonkamer, de kelder, de trap naar boven, de bakkerij, de binnenplaats en de zijkamer.) In mijn droom spurtte mama langs ons heen en schoot een van die deuren in… ‘Oh help,’ droomde ik, ‘als ze maar niet de kelder in gestort is.’ En wakker was ik.
Het was in die dagen dat ik het pijnstilravijn aan het verwerken was, haar (te) plotselinge vlucht vooruit aan de hand van Mrs Morfine. Dat ze in mijn nachtelijke droomreis in een doodshemd de keldertrap af stortte, weerspiegelde mijn angstige bezorgdheid daarover in een ander jasje…

Nu ging ik er bewust voor zitten om contact met haar te maken. Op klaarlichte dag.
‘Ik zie wel hoe het is,’ had ze over de dood gezegd, en nu ze dan door die poort heen was, wilde ik best eens van haar weten hoe het er was.
Ik stemde me af op die andere laag van de werkelijkheid waar sjamanen, zieners en dromers van alle tijden en culturen heenreizen om ruimer zicht te krijgen dan dat van de ratio. Vrijwel meteen zag ik haar voor me. Breed, stevig, licht en aards. Alles aan haar was groter dan het was. En haar buik straalde. Om precies te zijn, haar onderlichaam vormde een prachtig hart. Bij haar navel lag het dalletje tussen de twee helften, terwijl de onderste punt samenviel met haar kruis. Vrouw en moeder, bloeiend, gelukkig. Zo zag ik haar.
Ik vroeg haar of het een beetje was zoals ze gehoopt had. En of ze haar papa en moeke had gezien, en of ons pap er ook was. ‘Ja natuurlijk,’ leek ze te zeggen. Fijn was het daar, en vertrouwd. Zonder meer. ‘Maar,’ liet ze me weten, ‘denk maar niet dat we nu de hele dag theedrinken met mekaar of samen in de zon fietsen. Ben-de toch gek.’
Nee, nee, mam, dat snap ik. Maar wat dan wel?
Daarop zag ik haar – oud al – zittend in haar stoel. ‘Tja, wat zal ik er eens van zeggen?’ zuchtte ze karakteristiek. Er volgden meer beelden van haar: hoe ze met een flinke bos haar en een grote bril op – outfit zeventiger jaren – in de weer was met vriendinnen; hoe ze in ons oude huis de vloer schrobde, met een schort voor; hoe ze verliefd opkeek naar mijn vader; touwtje sprong als grietje van acht… Taferelen uit haar leven, in omgekeerde volgorde dan de tijd.
‘Maar mam,’ vroeg ik, ‘je wilt me toch niet vertellen dat je waar je nu bent wéér gangen aan het schrobben bent en al die aardse rompslomp meer?’
‘Tuurlijk niet,’ liet ze me weten, ‘maar ik ben wel m’n hele leven aan het nalopen en verwerken; ik krijg nou te zien wat het allemaal te betekenen had.’

Dat er zoiets plaatsvindt las ik in diverse boeken, van esoterie tot bijna-doodgetuigenissen, van oude wijsheid tot nieuwe, en natuurlijk bepaalt mijn persoonlijk opgebouwde gedachtegoed, samen met mijn ruime ervaring met het maken van innerlijke reizen, mede wat ik op zo’n reis zoal hoor en zie, maar nu ik dit zo heel vanzelfsprekend van mijn eigen moeder hoorde, werd het bijna aards gewoon.
‘Klaar ben-de nooit,’ vervolgde ze. ‘Of je nou leeft of in den hemel bent, je ontwikkeling gaat door. Dus,’ voegde ze er als persoonlijke boodschap voor mij aan toe, ‘denk er maar niet te romantisch over.’ Waarbij ze overduidelijk refereerde aan mijn escape-illusies bij vlagen van levensmoeheid.
‘Maar mam, is het niet lichter dan? Vrijer, losser, leuker…?’
‘Oh zeker, nou en of. Maar je bestaan is hier niet afgelopen. En alles en ieder heeft zijn eigen tijd.’

Opnieuw zie ik haar als de stralende vrouw met haar buik als een hart, met terugwerkende kracht tevreden over haar leven. De ontmoeting is voorbij. Vervuld en opgewekt blijf ik achter. Zo spaarzaam als ik me bij leven gesteund heb gevoeld door mijn moeder, zo warm en wijs is ze nu….
‘Zo zie-de mar, Marietje,’hoor ik haar in mij gniffelen, ‘niks is wat het lijkt.’

© Copyright Riet van Rooij - Theme by Pexeto