Van Lieve Rietje tot mispunt en verder (wortels 3; slot)


Over mijn vader kan ik uit eigen ervaring niet veel meer vertellen dan ik hiervoor al deed, hij is al zevenveertig jaar dood. Zestien was ik toen hij stierf, dus ik heb nooit een volwassen gesprek met hem gevoerd. Wat had ik hem graag bij leven beter leren kennen met een zekere distantie, als grote mensen onder elkaar.
De laatste woorden die ik me van hem herinner zijn: ‘Zeg maar tegen mama dat ik niet geopereerd hoef te worden.’ Vreselijke, afschuwelijke woorden waren dat; hun impact sloeg me vol in het gezicht, zonder dat ik ook maar een kik kon geven. Papa sprak ze uit op die dag dat ik hem ’s avonds in mijn eentje bezocht in de longkliniek, waar hij voor verder onderzoek was ondergebracht. We waren al dagen aan het wachten op de uitslag, en de grote vraag was of hij nog geopereerd zou kunnen worden of werd opgegeven. In 1968 werd het k-woord niet uitgesproken tegenover de patiënt, en mijn moeder en wij dochters deden daar onontkoombaar aan mee. Mijn kleine  broertje van vijf werd al helemaal overal buiten gehouden; voor kinderen geen leed alsjeblieft.

Jeanne 1968 - 012 Kerstdiner met papa in de 7 deuren kamer op nr. 150

Kerst in de keuken, 2 mnd voor papa’s overlijden

Dat de woorden waarmee mijn vader me aan het eind van het bezoekuur naar huis stuurde zijn doodvonnis betekenden, besefte ik als vijftienjarige onmiddellijk, maar de zwijgcode was krachtig, ik gaf geen krimp. Op de fiets naar huis was mijn grootste zorg: hoe vertel ik het mama? Ik wist het niet. Meteen na thuiskomst vroeg ik mijn oudste zus of ze met me mee naar boven ging. Boven aan de trap hing een kruisbeeld met een inbedroefde Jezus en ik herinner mij dat ik mij tijdens het beklimmen van de traptreden voor steun en toeverlaat tot Onze-Lieve-Heer richtte. Niet lang daarna raakte hij volledig buiten beeld. Geloven in zijn hemelse inbreng lukte me niet meer.
Samen hebben mijn zus en ik de onheilsboodschap aan mijn moeder verteld en na een week kwam mijn vader thuis. Ongeneeslijk verklaard, uitbehandeld. Maar daar werd niet hardop over gesproken.

Zo’n half jaar later, woensdag na carnaval, werd ik tijdens het eerste uur de klas uit gehaald. De dagen daarvoor was ik met een paar vriendinnen de hort op geweest en we waren gezellig bij Maud blijven slapen. Mijn vaders toestand was weliswaar hopeloos, maar niet terminaal, en wat doe je dan als zestienjarige? Gewoon plezier maken, dus. Maar nu stond ik in de kamer van de decaan. ‘Het gaat helemaal niet goed met je vader,’ zei hij, en na een korte pauze: ‘Hij is vanochtend overleden.’ Even later zat ik op de fiets naar huis. Maud reed naast me om me tot daar te vergezellen. We hadden het er niet over. Het was onuitsprekelijk erg en ongemakkelijk. We hadden feest gevierd nota bene, en nu was mijn vader opeens dood, toch nog onverwacht. Toen mijn moeder mij zag binnenkomen – mijn zussen waren er al – vloog ze op me af en begon te huilen. Dat was ongekend. Ik hield haar vast, troostte haar en voelde me groot.
Mijn vader heb ik niet meer gezien, hij was al opgehaald. Later hoorde ik dat hij die ochtend, vlak voor zijn dood, tegen mijn moeder heeft gezegd: ‘Ik ga.’ Maar niet nadat hij vlak daarvoor, ontzettend benauwd, vloekend rechtop in bed was gaan zitten, ‘godverdomme!’ roepend.

‘Ik roep uit de diepten tot U, Heer, want bij U, Heer is erbarmen. Uit de diepten o Heer roep ik tot U, Heer hoor naar mijn stem. Laat uw oor aandachtig luisteren, naar de stem van mijn smeken…’ klonk het een paar dagen later bij zijn begrafenis. Tantes die ik nog maar zelden gezien had snikten het uit, mijn moeder, mijn zussen en ik zaten met rechte rug en droge ogen flink te zijn. We wisten niet beter. Wel weet ik nog dat ik boos was op die snikkende en sniffende zussen van mijn vader. Hoe konden zij nou zo verdrietig zijn, terwijl ze hem maar twee keer per jaar zagen? Het was mijn vader die daar in die vreselijke diepten moest smeken om erbarmen, van God en alleman verlaten. ‘Een warme bakker,’ zei de pastoor. Jaja, maar nu was hij koud en het grauwe zou nooit meer weggaan bij ons thuis.

Twee tastbare herinneringen heb ik van hem. Zijn schieter, het stuk houten gereedschap waarmee hij de broodbussen de oven in- en uitschoof, en het versje dat hij in mijn poëziealbum schreef toen ik acht jaar was. Het is een van de weinige dingen die hij schreef, afgezien van de hoeveelheid mikken en de namen van de klanten in zijn opschrijfboekje.
poezieversje
Voor mij is dit veel meer dan een poëzieversje dat ik als achtjarig grietje van hem in mijn album kreeg. Ik herken er mijn vaders levenshouding in, dit heeft hij mij voorgeleefd, en ik koester het als een liefdevolle boodschap die me nog altijd vergezelt.
Ik identificeer me graag met mijn vader. Lange tijd vond ik dat ik uitsluitend op hem leek qua karakter: het type stille wateren. Ik ben een vaderskind, jawel, maar wel met terugwerkende kracht. Ik besefte de band met mijn vader pas toen hij er niet meer was en ik ben mij er van bewust dat de dood uitnodigt tot het romantiseren van wat er bij leven was. Het weinige dat mijn vader en ik deelden is in mijn herinnering dan ook bijna niets dan goeds; vaderlijk goeds dat fraai afsteekt tegen – jawel – moederlijk venijn…

‘Adder van een jong,’ zei mijn moeder vroeger tegen me als ik een brutale mond opzette. Of ‘mispunt dat je bent.’ Als ik haar als veertienjarige verbaal van repliek diende door haar een kreng van een mens te noemen, vroeg ze zich woest en hardop af: ‘Heb ik je daarom naar die school gestuurd?’ Het schrijnende is, dat ik haar in die tijd ook werkelijk steeds dommer ging vinden. Niet omdat ik meer ‘wist’ vanuit school, maar omdat ze zo kinderachtig deed als we het ergens niet over eens waren. Overigens kwam ze er, als ze me in het vuur van de strijd had uitgemaakt voor iets lelijks, zo nu en dan even later wel op terug. ‘Dat meen ik niet zo, hoor,’ bekende ze dan, ‘maar je maakte me ook zo giftig!’ Zachtzinnig gingen we bepaald niet met elkaar om. Mijn ervaringen met het gehate felle karakter van mijn moeder hebben me ook in de jaren na de dood van mijn vader nog vaak in zijn richting gedreven; in mijn verbeelding voelde ik me bij hem beter thuis dan bij haar.
mam en ik0001‘Aan jou heb ik nooit wat gehad,’ vertrouwde mijn moeder me een paar jaar geleden nog toe. Geschrokken, maar min of meer gewend aan grof geschut van haar kant, vroeg ik wat ze bedoelde. Weliswaar bleek het niet meer dan mijn weigerachtigheid te zijn een poot uit te steken in het huishouden toen ik nog thuis woonde, maar de toon was als vanouds. Dolken, zou een vriendin van me ze later noemen, als we gezusterlijk onze moederwonden onder de loep namen.
Ze was ook leuk, mijn moeder. Je kon met haar lachen als ze een gekke bui had en haar kunstgebit uitdeed, een hoofddoekje omknoopte en ons als heks achternazat om de keukentafel. En die keer dat ze vond dat we in de meimaand maar eens aan Mariaverering moesten doen en ons op de knieën voorging in gebed. De litanie van Maria, met aanroepingen als ‘mystieke roos’ en ‘ivoren toren’ werd door mijn zusje, de dondersteen van het stel, spontaan geparodieerd door er ‘tinnen vaasje’ aan toe te voegen. Wij in een deuk, mijn moeder ook. ‘Och, duvel maar op, ga maar spelen,’ was haar commentaar. Het hoefde voortaan niet meer, dat vrome gedoe. Stoer was mijn moeder ook. Voor onweer, spinnen of door opa gevangen dode vissen was ze niet bang. Wij ook niet. Niet flauw zijn was het motto, en dat was dat.  Zij leerde ons  zwemmen in de Maas, en het was de gewoonste zaak van de wereld dat we ons er bekwaamden in een forse schoolslag naar de overkant. Als het ene schip net voorbij was en het volgende nog ver weg, waagden wij de oversteek.

‘Zeg het weesgegroet maar op,’ gaf ons mam als antwoord op mijn vraag waar de kindertjes vandaan kwamen. Ook over die vreemde badstof doeken wilde ik de waarheid nou wel eens weten. ‘Voor papa’s been’, had ze altijd gezegd over die lappen met knoopsgaten die geregeld aan de waslijn hingen. Mijn vader had een open been, dus daar zou dat verband dan wel voor zijn, maar toch klopte er iets niet. Het had te maken met geheimzinnige dingen waar zij en mijn zussen over fluisterden. En nu moest ik tot Maria gaan bidden? Wat was dat nou weer voor stoms?! Ik weigerde pertinent, me tegelijk verlegen en terechtgewezen voelend. Maar haar aansporing was geen oproep tot gebed of een variant op het spoelen van je mond als je iets lelijks hebt gezegd, bleek even later toen mijn moeder het bedoelde Mariagebed dan zelf maar opzegde: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met U. Gij zijt de Gezegende onder de Vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot…’ Voilà mijn moeders poëtische oplossing om mij in te wijden in het vrouwenmysterie bij uitstek. Zo lief bedoeld en mooi ook wel, als je er geen gewone woorden voor hebt tegenover een achtjarige.
Ze had ons graag op schoot. Lekker kroelen met haar kroost, daar hield ze van. Als je jezelf daar te groot voor vond, werd het uitwisselen van lichamelijke affectie wat lastiger. Zo kon ze je – puur omdat ze het niet laten kon – een flinke klap op je blote bovenbeen geven. Au! Maar ze vond het heerlijk als we kappertje met haar wilden spelen; scheidingen trekken en lekker frutten aan haar hoofd. Daar ging ze echt voor zitten.
Mijn liefde voor boeken komt van haar, ze gaf hem mij met de paplepel in. Waar mijn vaders boekenwijsheid niet verder reikte dan wat de lagere school hem geboden had, las mijn moeder over het leven van anderen in de vele romans die ze van de bibliotheek haalde.

Jeanne en Frans0001Pennenstreken zijn het, een handvol beelden van de twee mensen bij wie ik opgroeide, mijn ouders. Ik doe ze geen recht door deze impressies. Complete mensen waren ze, zoveel gelaagder dan wat ik beschrijven kan. Ik ben me ervan bewust dat mijn ouders mijn hele leven lang met me meelopen en in de meest verrassende toonaarden hun invloed doen gelden. Tot op de dag van vandaag. De thema’s die zij aandroegen, keren in eindeloos geraffineerde variaties terug als inspiratiebronnen, hobbels en valkuilen. Ik zal – of ik dat nu wil of niet – voor een deel herhalen wat zij me voorleefden, me tegen hen afzetten, boos, verdrietig, blij en dankbaar zijn, van koers veranderen, vernieuwen, terugvallen, berusten, doorbreken, loslaten.
Ik begon deze zomerserie omdat ik er plezier in had. Terugblikkend, redigerend en publicerend wat ik  in een persoonlijke queeste opschreef, realiseerde ik me de afgelopen weken dat wat ik eigenlijk wil zeggen, vervat is in het gedicht dat geboren werd tijdens het blootleggen van mijn wortels. Dankbaar en vol respect draag ik mijn woorden op aan Jeanne Goedmakers en Frans van Rooij, en aan alle mensen die bereid zijn om de ouderrol op elkaars zielenpad te vervullen:

Ouders

Identificeren we ons met hen,
dan zijn ze vanzelfsprekend;
onderscheiden we ons van hen,
dan zijn ze raar.

Maken we ons van hen los,
dan voelen ze als vreemden;
gaan we onze eigen weg,
dan verdwijnen ze uit beeld.

Voelen we ons misdeeld,
dan zijn zij de schuld;
ervaren we onszelf als slachtoffer,
dan waren zij de daders.

Erkennen we de pijn in onszelf,
dan krijgen we oog voor wie zij zijn – of waren;
hebben we ons onvolkomen verleden geheeld,
dan zijn we in staat tot vergeving.

Beschouwen we onszelf als zielen in doorgaande ontwikkeling,
dan hebben we hen gekozen als leraren op ons aardse pad.
En vallen we samen met ons bestaan,
dan zijn we dankbaar voor Dat Wat Is.

Ik heb besloten om het hierbij te laten. Mijn persoonlijke geschiedenis is een bron van inspiratie voor wat ik doe, laat, schrijf, coach, leef, maar het is tijd voor nieuwe verhalen. Ik laat ze rijpen in de zomer.

Een nest in een notendop (wortels 2)

[Vooraan beginnen met lezen over mijn geboorte en ontvangst? Klik in de rechter kolom op ‘mijn wortels’ en scroll naar beneden.]

Jeanne 1960 - 011 In de nieuwe winkel

‘Ons Pap’ en ‘Ons Mam’, bij de opening van de nieuwe winkel in 1959

Mijn vader

at stapels boterhammen met spek of suiker. En hij zei: ‘Nou ga ik ’s efkes aveceren,’ wat betekende dat hij ging voortmaken, in een hogere versnelling ging. Maar zulke deftige woorden gebruikte hij niet, en we hadden geeneens een auto. Of de motorbakfiets versnellingen had weet ik niet…
Doordeweeks rookte hij Gladstonesigaretten en zondags Agiosigaren. BVV was zijn voetbalclub en hij hield van de Radetskymars. Op de andere grammofoonplaat die hij bezat stond draaiorgelmuziek. Hij leerde mij bandenplakken en brood bezorgen, net als mijn twee zussen. Met fietstassen vol tarwe, wit en ’s zaterdags ook krentenbrood en een enkel rolletje beschuit, reed ik op woensdag- en zaterdagmiddag naar de Dieskant, helemaal tot waar de schillenboer woonde. Hij was lang en ver, die dijk langs de Dieze, waar mevrouw van Kessel wilde dat je het brood in een theedoek aanbood en niet met blote handen, en waar ’s zomers de boterbloemen en margrieten bloeiden en ’s winters de kou me tot huilens toe voortjoeg. ‘Wa bende toch een lekker worstje,’ zei mijn vader als ik bij hem op schoot zat, mijn ijskoude handen in die grote warme knuisten van hem zodat het pijnlijke tintelen overging in roodgloeiende warmte. Op de andere route die ik vaak reed, keek ik, als ik niet op tijd thuis kon zijn voor het kinderuurtje van 5 uur, bij de laatste klant Swiebertje. ‘Ga toch zitten,’ zei mevrouw de Groot hartelijk, en dan genoten we samen van Swieb, Bromsnor en Saartje op het zwart-wit toestel in de hoek van haar overvol gemeubileerde kamer.

PappaBakkerij_02

In de bakkerij, jaren 50…

Zes baaltjes meel bakte mijn vader in de week. Dat was niet veel, maar het was niet anders. Een grote klant zoals het bejaardenhuis werd om de week door mijn vader van brood voorzien; de andere week was ome Nol, zijn broer, aan de beurt, die een stukje terug aan de Rijksweg zijn bakkerszaak had. Ze hadden het vak geleerd van hun vader, de opa die ik nooit gekend heb. ‘Brood en kleren hebben de mensen altijd nodig,’ hadden opa en opoe van Rooij tegen hun elf kinderen gezegd, en zo kozen de jongens hun vak: drie van mijn vaders broers waren kleermaker, twee van hen, net als hij, bakker.

opoe, opa en kinderen; papa links

Opoe Elisabeth Pennings en Opa Frans van Rooij met hun 11-tal; links mijn vader

De meisjes hadden geen beroep, die trouwden, naaiden, kookten en baarden kinderen. Mijn tantes van vaderskant waren hartelijke, praktische vrouwen. Zachtaardige types, evenals mijn ooms en mijn vader zelf. Enkelen hadden de gave van het woord. Als er een verjaardag was, vertelde oom Martin over vroeger, dat mijn vader als kind altijd zijn schortje verstopte omdat hij dat niet aan wilde voor school, en dat ze met de hondenkar brood bezorgden en konden schaatsen op de Maas. Ook als tante Guus op haar praatstoel zat kreeg de wereld kleur. Opoe van Rooij, die van een boerderij kwam, heb ik net zo min gekend als opa Frans van Rooij, mijn vaders vader. Maar Heintje Pek kende ik wel. Zijn bestaan was een vondst van deze opa: om de kinderen te behoeden voor een val in de kleine Kerkwiel, het diepe water aan de rand van de Kalverschaar, ging het verhaal dat onder dat donkere oppervlak een wezen woonde dat je vastgreep en het water introk als je te dichtbij kwam: Heintje Pek. In mijn verbeelding een soort Gollem met lange tengels en een gemeen smoel. Mooi dat we wel wijzer waren dan daar bij in de buurt te komen!
Van opoe heb ik ooit bij een latere verhuizing van mijn moeder een lepelvaasje uit de afvaldoos gered. Een poos geleden brak het glas, maar de verzilverde ring van de opening bewaar ik plechtig, als tastbaar voorwerp met een verre echo van een van mijn voorouders.

 

Jeanne 1921 - 001

1921: Oma en Opa Goedmakers, mijn moeder (l) en tante Nettie

Mijn moeder

was van burgerlijke komaf. Haar vader, Jef Goedmakers, was beroepsmilitair. Ze zag hem huilen toen Nederland in mei 1940 capituleerde en vertelde meer dan eens hoeveel indruk dat maakte. Mijn moeders moeder gaf ooit, voordat haar vijftal het levenslicht zag, pianoles. Ze had op de kweekschool gezeten, maar moest er vanwege de situatie thuis voortijdig af. Haar vader, overgrootvader Kreté, had een kwade dronk en mijn overgrootmoeder had thuis steun nodig.
‘Als Moeke niet thuis is, is het koud,’ vond mijn moeder vroeger. Als kind was ze huismusserig en verlegen. Als Sjaantje in de verte vriendinnen van haar oudste zus zag aankomen, ging ze gauw een blokje om.

Jeanne 1930 - 002

Jeanne Goedmakers, mijn moeder, spelend op straat in Den Bosch

Na de lagere school ging ze als een van de besten naar de zevende klas, de latere ulo (uitgebreid lager onderwijs), maar na de achtste hield ze het voor gezien. Er was een klein zusje thuis, dat vond ze leuker, en oma kon wel wat hulp gebruiken van een pietje precies zoals zij, haar tweede dochter. Toen er voor Jeanne thuis geen werk genoeg meer was, ging ze bij ene juffrouw Miep in de kruidenierszaak werken.
Pienter en accuraat was ze, die moeder van mij. En een haaibaai was ze ook. Nadat mijn vader met haar getrouwd was en zij ontdekte dat hij een klant met weinig geld – een vrouw met vijf kinderen en manlief in de bak – geen rekening bracht voor het brood van die week, was ze furieus. ‘Die mensen moeten toch ook eten,’ was mijn vaders motief. ‘Ach jij, jij bent niet zakelijk,’ verweet mijn moeder hem. Het eeuwige conflict tussen die twee… Mijn vader goedig, hardwerkend, de eenvoud zelve, mijn moeder de pittige flapuit met standsbesef. Zij keek op tegen de pastoor, de dokter en andere meneren en mevrouwen en sprak over ‘minder soort volk’ als mensen niet aan haar burgerlijke normen voldeden. Mijn vader was een ambachtsman die hield van zijn creaties. ‘Kijk toch eens hoe mooi,’ kwam hij nu en dan de bakkerij uit gestapt met in zijn handen een bijzonder geslaagd ‘knip’, vers uit de oven.
Mijn moeder was een middenstandsvrouw tegen wil en dank. Altijd dubbel belast. Als de winkelbel ging moest ze het voeden van haar kleintjes of het koken van het middageten afbreken. Geïrriteerd stapte ze dan ‘naar voren’, mopperend op de mensen die juist dan naar de winkel kwamen; en het waren niet eens vaste klanten, want die bediende papa met de bakfiets. Na sluitingstijd de vloeren schrobben, slechts één vrije dag in de week – de zondag, voor kerkbezoek, voetballen kijken (hij), bezoek aan oma (zij) – en maar één week vakantie per jaar, in augustus. Dan gingen ze samen fietsen met ons, elke dag een andere route. Of zij ging een dagje naar een grote stad met haar drie dochters. Daar gaf hij niet om.
De drie zussen en de broer van mijn moeder waren zenuwachtige types met harde stemmen en haar op hun tanden – en op hun bovenlip. Oma woonde op een bovenhuis, had een kleurrijk knopendoosje waarmee we als kleinkinderen mochten spelen en at rosbief bij de boterham. Tante Rietje, mijn peettante, nog ongetrouwd, woonde bij haar en zij had nog kinderboekjes van vroeger. Zoals over wilde Roos die haar been brak, vlak voor haar Eerste Communie; zo erg.

Opa Jef Goedmakers

Opa was er al gauw niet meer, maar tot zijn hart het begaf werkte hij bij ons in de tuin en als ik hem hielp met erwtjes zaaien kreeg ik een dubbeltje. Oma werd oud en nog chagrijniger dan ze in mijn herinnering altijd al was. Een deel van haar chagrijn is vast en zeker terug te voeren op haar gefrustreerde ambities, maar ze was hoe dan ook geen lieve oma. Als je haar feliciteerde met haar verjaardag vroeg ze verontwaardigd waarom het in hemelsnaam een felicitatie waard was dat ze weer een jaar ouder was. ‘O, was ik maar dood,’ zong ze spottend, ‘die ik liefheb die krijg ik toch nooit. En die ik niet mag, ja, die zie ik haast elleken dag.’

oma 19700001

Oma Betsie Kreté

Toen ik begin jaren tachtig zwanger was van mijn eerste kind zonder dat ik meende te hoeven trouwen, zei oma: ‘Ze hoeft hier niet meer te komen.’

Zomerserie (1): De in het ganse land schitterende

Juni. Opnieuw de maand waarin volgens indiaanse wijze-vrouwentraditie ‘Verhalenvertelster’ aan de beurt is. Vorig jaar begon ik hier aan het vertellen van mijn levensverhaal, voorgesteld als een zielenreis. (Daarin beschouw ik alles waarvan gezegd wordt dat we er niet zelf voor kiezen – onze ouders, ons lichaam, onze geboorte, onze jeugd, onze afkomst – als precies-goed; de perfecte bedding voor wat we hier komen doen.)
Ik eindigde toen met de mededeling dat ik met de tang geboren werd. Ik beloofde meer, maar tot nu toe paste het niet. Nu wel. In een zomerserie blogs vertel ik de komende weken over mijn roots.
Waarom? Omdat ik er plezier in heb. En omdat alles wat ik weet, waar ik van hou, wat ik mensen te bieden heb, samenhangt met waar ik vandaan kom. Want ook in wat ik anders wil en anders doe, bouw ik voort op mijn wortels. In dat besef heb ik met vallen en opstaan leren houden van het leven: van het gewone en van het mysterie.
‘Het is tijd om eigenaar te worden van wie we geworden zijn,’ las ik laatst. Als ik anderen daartoe kan inspireren door mijn verhaal te vertellen, doe ik dat graag.
[Het cursieve deel vertelde ik al eerder.]

De in het ganse land schitterende

RietjeInKinderwagenMijn leven begon op de beste plek die er was. Het huis van mijn ouders stond op een steenworp afstand van de kerk en aan de overkant lag de Kalverschaar, een wei met koeien. In die driehoek van spiritualiteit, levende natuur en liefde landde ik, met het lichaam van een negenponder, om mijn aardse avontuur aan te vangen. De twee mensen die mijn vader en moeder werden, waren het meest geschikte ouderpaar dat ik had kunnen vinden. Ze vertoonden de ideale mix van kwaliteiten en tekortkomingen die ik me wenste voor mijn plannen. Met hen als bakermat zou ik helemaal aan mijn trekken komen om te leren wat er deze reis te leren viel – en te manifesteren natuurlijk. Want we komen niet alleen halen, maar ook wat brengen. Toch?
Alles klopte aan die twee. Hun familieachtergronden, wat ze deden voor de kost, hun lichamen met het DNA waarvan ik gebruik zou maken, hun karakters en hun lot. Ook de twee dochtertjes die ze al hadden, plus het jongetje dat vele jaren later zijn opwachting zou maken als mijn broertje, hoorden bij het ideaalplaatje waar ik naar op zoek was. Kortom, de omstandigheden en medespelers die mij vergezelden, vormden de perfecte voedingsbodem voor mijn bestaan als Riet van Rooij; ze zouden een gulle leverancier worden van het lief en het leed dat ik meende nodig te hebben.

En gij geleuft dè?! zou mijn moeder zeggen… Ja, ik geef het toe, ik bagatelliseer. De manier waarop ik mijn afkomst hier stuiterend van enthousiasme introduceer is op zijn minst overdreven en in elk geval een grove simplificatie van het mysterie van geboorte, bewustzijn, leven. Maar zit er misschien toch iets in? Is het idee dat er een groter zelf ten grondslag ligt aan ons aardse bestaan onwaarschijnlijker dan dat we volkomen willoos en onwetend in een willekeurige wieg belanden? Is de opvatting dat we louter producten zijn van onze ouders, generatie na generatie opkomend, blinkend en verzinkend, aannemelijker dan dat er een ruimere werkelijkheid bestaat?
De indiaanse traditie vertelt ons poëtisch dat het lichaampje dat onze ouders voortbrengen het kleed is dat we aantrekken voor onze reis door het aardse bestaan. En wie maakt die reis dan? Onze spirituele essentie, onze Orenda: een bewustzijn dat weidser is dan ons aardegebonden mensenverstand en dat deel uitmaakt van Groot Mysterie, het goddelijke principe dat vele namen kent. Dat vind ik mooi. En voor mij persoonlijk is het idee dat een groter en wijzer aspect van ons dan ons menselijke ‘ik’ inbreng heeft in het avontuur waar we bij onze conceptie aan beginnen, een van de rijkste vondsten die ik deed op mijn zoektocht om het leven te begrijpen.

Allemaal mooi en aardig, denk je misschien, en wie weet komen we inderdaad met een reisplan en bijbehorende bagage naar deze aardkloot, maar waarom hebben we daar dan, als we hier eenmaal rondlopen, geen bewustzijn over? Waarom is ons weten versluierd en moeten we het wiel en al het andere opnieuw uitvinden? De oude Grieken zeiden het al: als we geboren worden steken we de vlakte van Lethe over, de vlakte der vergetelheid. Dat is nodig om het leven te leven waarvoor het bedoeld is: ervaren, doorleven, leren, groeien, scheppen; met heel ons hebben en houden vormgeven aan ons bestaan en zo een uniek brokje bewustzijn toevoegen aan het geheel. Zouden we ons van het begin af aan alles herinneren wat onze ziel al weet en wat we zoal aan den lijve willen ondervinden aan kommer, kwel en lichtere kost, dan zouden we niet afdalen in de stamppot van het leven. We zouden er wijselijk boven zweven, en dat voegt niks toe. Onze drang om te leven, om met zintuigen, een hart en een stel hersens ervaringen op te doen in de aardse dimensie is onze drijfveer. Dus nieuwsgierig gaan we op pad…

Nee, ik loop niet voortdurend sereen glimlachend alle pijn en teleurstellingen van het bestaan te trotseren met de slogan ‘daar heb ik blijkbaar zelf voor gekozen’. Jakkes, echt niet. Je moest eens weten hoe ik strompelend en struikelend de zestig heb gehaald. Sterker nog: daar ga ik je iets over vertellen, althans, over hoe mijn avontuur begon en met welke bagage ik de wijde wereld introk. Daarover gaat dit verhaal – in bloglange stukjes.
Ik schrijf niet omdat ik bijzonder ben, welnee, niet meer of minder dan jij. Maar door mijn verhaal te vertellen wil ik, als specifiek exemplaar van onze soort, ter leeringhe ende vermaeck laten zien: Kijk ons toch eens stumperen, vallen, opstaan en ons best doen om zin en betekenis te geven aan ons bestaan.

Het begon al goed. Ik werd met de tang geboren. Thuis. In de jaren vijftig hadden huisartsen nog een verlostang in hun dokterstas. Maar goed ook, anders was het avontuur al afgelopen voordat het goed en wel begonnen was.
‘Dit kind heb je niet zelf gebracht,’ zei de huisarts tegen mijn moeder toen ik eenmaal met vereende krachten naar buiten was gewerkt. Een rare uitspraak, maar mijn moeder citeerde hem altijd letterlijk als mijn geboorte ter sprake kwam. Ze had gefaald in de ogen van meneer den dokter. En ik in de hare, trouwens. Ik kwam zeventien dagen na de uitgerekende datum, was uitgegroeid tot een bonk van een kind – en dat bij zo’n klein moedertje – en bleek ook nog eens een griet te zijn! ‘Papa had graag een jongen gewild,’ vertelde ze. En zij daarom ook. Voor hem, om het goed te maken. Want zij vond het best leuk om er weer een baby bij te krijgen, maar voor mijn vader betekende het weer een mond extra om te voeden. Nu ook de derde boreling een meisje was, viel dat extra tegen, ‘maar’, voegde ze er altijd gul aan toe, ‘toen je er eenmaal was hielden we toch wel van je, hoor.’
FransvRooijSrMet gezwinde spoed werd mijn vader naar de apotheek gestuurd voor een middel tegen de bloeding waaraan mijn moeder ten prooi viel. Op de terugweg fietste hij even bij oma langs om te vertellen dat ze er een dochter bij hadden. ‘Wat doe je dan hier? Maak maar gauw dat je thuiskomt met die medicijnen!’ beet mijn moeders moeder hem toe toen hij vertelde waarom hij op pad was.
In de toedracht bij mijn geboorte kwamen aardig wat thema’s naar voren die als rode draden door mijn leven zouden gaan lopen. Als we dan een soort medescheppers van ons leven zijn, is de manier waarop we ons leven beginnen natuurlijk al geen toeval of een kwestie van pech of geluk hebben; het is een visitekaartje, een eerste presentatie van wie we zijn en wat we komen doen.
In mijn geval – tweeënhalve week over tijd, niet op eigen kracht naar buiten komen – tekende het spanningsveld waarin ‘ja ik wil’ strijdt met ‘nee, toch maar niet’ zich al af…. Toen een astroloog later in mijn leven vertelde, dat ik een horoscoop heb waarin enthousiasme voor de aardse dimensie gepaard gaat met een ‘oh jé, waar ben ik aan begonnen?’, slaakte ik een zucht van herkenning.
Hoe het ook zij, dankzij de vereende krachten die samenwerkten onder mijn geboortegesternte, kwam ik op mijn plek terecht, in het bed van mijn ouders aan de Oude Rijksweg in Orthen, een gehucht dat tegen Den Bosch aanschurkt. De toon was gezet, ik kon mijn hoogstpersoonlijke lied van ja’s en nee’s tegen het leven gaan zingen, zoals we dat allemaal doen naar gelang we gebekt zijn…
Ik kreeg een wiegje, twee volle borsten met moedermelk en drie namen: Maria, Lamberta, Adriana. Met Maria als leidsvrouwe en de peettante waarnaar ik vernoemd werd, bleek ik het in de loop van mijn leven best te kunnen vinden. Lambertus was de naam van mijn peetoom en betekent ‘de in het ganse land schitterende’ – voor minder zou ik het ook gedaan hebben.
Adriana werd de vernoeming naar mijn moeder, en zij blijkt tot op de dag van vandaag de hardnekkigst aanwezige spirituele leraar op mijn levenspad…
Dat mijn roepnaam Riet werd heb ik mijn ouders niet in dank afgenomen. Wat een boerentrienennaam vond ik dat. Maar toen ik me later in mijn leven realiseerde dat ik hetzelfde heet als dat prachtig wuivende gras met zijn pronte pluimen, buigzaam en zacht zingend in de wind, kreeg ik er vrede mee.
Als ons Rietje, de derde dochter van bakker Frans van Rooij en zijn vrouw en winkeljuffrouw Sjaantje – Jeanne – Goedmakers, stak ik die dag in de herfst de vlakte van vergetelheid over en begon ik aan mijn reis naar het onbekende…

© Copyright Riet van Rooij - Theme by Pexeto