De ringen

‘Och, vrouwke toch.’Ik aaide haar opnieuw over haar haar, kuste weer zachtjes haar voorhoofd. Wat was ze, nu ze dood was, opeens klein en tenger. Het was prachtig gegaan. Mijn zus Wil en haar man Theo waren die hele dag al bij haar geweest. Mama communiceerde lichtjes, kon aangeven dat ze geen pijn had, goed lag. Er had echter steeds meer slijm in haar adem doorgeklonken, en Wil en Theo, allebei ervaren verpleegkundigen, besloten haar op haar zij te draaien. En terwijl ze haar in hun armen namen, blies Jeanne haar laatste adem uit. Zo mooi. Zo geborgen. Wat waren we blij dat ze niet alleen was toen het gebeurde. Het gezwel was achter in haar mond opengegaan. Dankzij de morfine, echter, was ze niet gestikt maar zachtjes weggegleden.
Nog maar drie maanden daarvoor had ik, in de wolken boven de Azoren, een visioen gehad van haar dood. Ik maakte daar een sjamaanse reis; de verschillende werkelijkheden in het ondermaanse schoven er langs en door elkaar heen, gevoed en gedragen door de oceaan en de zeedieren daar. Ik zag er mijn moeder, met een gat in haar hals, haar laatste adem uitblazend. Ze liet me weten dat haar ziel er klaar voor was om te gaan. Aan het eind van onze ontmoeting daar beloofde ik haar, dat ik ervoor zou zorgen dat ze haar mooie rok zou dragen als we haar uitgeleide zouden doen – als altijd een dame.
Nu verzorgden we haar samen; haar haar mooi, mond gesloten, haar groene rok lag al klaar. Mijn zussen en ik stonden aan weerszijden van ons mam, toen ons Wil zei: ‘Wat doen we met de ringen?’ We keken elkaar aan…

Het zal zo’n jaar of tien geleden zijn dat ik een keer spontaan tegen mijn moeder zei: ‘Wat vind ik de ring die je nu draagt toch mooi, mam. Als je ooit doodgaat, wil ik die wel van je erven.’
De laatste weken kwam de gedachte aan de ring met de blauwe steen bij me terug, al had ik hem al lang niet meer gezien. Zou ze eigenlijk iets hebben afgesproken – met Els misschien, als oudste – over de bestemming van haar spulletjes? Ik nam me voor om het mama gewoon te vragen, een paar dagen later, onderweg erheen. Hoe spannend vond ik dit! De angst voor een ouderwetse sneer vol afwijzing bonkte in mijn borst. Ik liet ‘m wijselijk bonken; het besef dat de angst er was, zonder dat ik er iets aan hoefde te doen – of het erom zou laten – gaf ruimte. Ik was open voor wat komen zou. Eenmaal bij haar wierp mijn moeder me een aanleiding in de schoot.’Waar is mijn armband toch?’ Sinds ze op bed lag, droeg ze hem niet meer. ‘Hier, mam,’ en ik pakte hem.
‘Daar ben je echt aan gehecht hè?’ zei ik.
‘Ze knikte, en ik vervolgde: ‘Heb je er eigenlijk gedachten over wie hem straks, als je er niet meer bent, zal dragen… of je andere sieraden?’ Het was even stil.
‘’Nee,’ zei ze nadenkend, ‘toen Moeke dood was, legde tante Rietje alle sieraden op tafel en zei: wie wil er wat?’
‘Wil je graag dat wij het ook zo doen, mam?’
‘Zoiets, ja, zie maar,’antwoordde ze, en toen ik haar tussen neus en lippen vroeg of ze nog wist dat ik die ene ring zo mooi vond, knikte ze, mijn woorden voor kennisgeving aannemend. Het was duidelijk: dit vond ze iets voor na haar tijd, we mochten het zelf uitzoeken.
‘Ons Wil heeft wel het gebaksstel ingepikt,’zei ze toen opeens.
‘Ingepikt, nee toch?’wierp ik tegen.
‘Nou, nee, ze heeft het wel gevraagd,’nuanceerde ze, ‘en ze heeft zoveel voor me gedaan, met elke week de was en altijd maar mee naar het ziekenhuis en zo…’ Ik beaamde dat het Wil, ook wat mij betreft, van harte gegund was. ‘Ik beloof je, mam, dat we er geen ruzie over zullen maken wie wat krijgt.’ Ze zweeg. Aan haar gezicht was te zien, dat ze daar alle vertrouwen in had.

Nu keken de gezusters Van Rooij elkaar aan. Haar ringen? ‘Afdoen,’zeiden we, en Wil pakte mama’s ene hand, Els haar andere. ‘Deze vind ik zo mooi,’sprak Wil, en schoof de ring met de parel van onze moeders vinger om de hare, even passend. ‘En ik vind deze het mooist,’zei Els, en probeerde die met de bloedkoraaltjes. ‘En ik,’ bekende ik opgetogen, ‘die met die blauwe steen!’
Verwonderd lachend keken we elkaar aan. Els en ik doken mama’s la met sieraden in, vonden de ring met de aquamarijn, ik deed hem om en ook deze paste. ‘Dat is dan geregeld,’vonden we vrolijk.
Onze echtgenoten stonden erbij en keken ernaar. Hoe wij vrouwen dat met elkaar deden! Zo moeder, zo dochters… no nonsens: de ringen waren verdeeld. En onze broer Frans? Die was verguld met het gouden tientje dat in de dagen die volgden tevoorschijn kwam.

Een uurtje later werd haar lichaam opgehaald en weggebracht. Ze zag er inmiddels uit als een oude wijze grootmoeder, tijdloos. Haar linkeroog stond een ietsiepietsie open. Dat had, in de verte, iets ondeugends.