Heimwee

Vandaag heb ik heimwee. Heimwee naar de intensiteit van al wat ik hier beschreef, naar de vanzelfsprekendheid van wat mijn zussen, broer en ik samen deden, naar de mooie ontmoetingen met mijn moeder in haar laatste maanden.
Maar ik realiseer me ook dat alles waarover ik hier schreef de parels zijn; parels groeien, zoals je misschien weet, uiterst langzaam. En ze ontstaan dankzij irritatie, als reactie op het binnendringen van vreemde delen in de schelp. Hoe lang beleefde ik mijn moeder als irriterend, binnendringend, vreemd… Ik heb veel innerlijk werk verzet om de vrouw die me voortbracht te gaan zien als mijn grootste spirituele leraar omdat ze, gewoon door wie ze was, mij ultiem uitdaagde om te worden wie ik ben.
Ik verlang niet terug naar ons onvermogen tot nabijheid dat er zo lang was, naar de kwetsuren die ik opliep aan haar harde houding, naar de saaie, slopende bezoekjes waarbij de treurigheid van haar wonen in dat verzorgingshuis van de muren droop. De laatste keer dat ik haar in haar rolstoel van haar kamer reed om er even uit te zijn, was ze te zwak om de hele herejee van auto-in-en-uit aan te kunnen, de wind was koud, dus we stiefelden maar wat door de gangen. Uit het restaurant klonk gezang. Nooit wilde mama bij dat soort triest oudemensenvermaak aanwezig zijn, maar nu ik haar voorzichtig voorstelde om een kijkje te nemen knikte ze, nota bene met een vleugje nieuwsgierigheid in haar ogen. Vals zong de voorzangeres door de microfoon: ‘Niet kniezen, niet treuren, het leven is maar kort.’ Tientallen besjes zongen mee; een oude heer dirigeerde wat voor zich uit. Mijn moeder wiegde – godbetert – lichtjes mee op de maat. ‘Dat het zo ver heeft moeten komen,’dacht ik, ‘dat deze eigenzinnige vrouw met haar kapsones en drakerigheid hier nu zit te genieten van opwekkende samenzang voor bejaarden.’
Ik moest er stilletjes van huilen.

Alle geschenken en beperkingen van mijn moeder, het mooie en het lelijke, vormen – samen met alles wat mijn vroeg gestorven vader bood – de bedding voor mijn leven. Ik bouw erop voort, put eruit; het zijn de slijpstenen voor mijn ziel.
Een poos terug schreef ik er een gedicht over, in een poging mijn persoonlijke ervaringen als kind van mijn ouders naar het universele te tillen.

Ouders
Identificeren we ons met hen,
dan zijn ze vanzelfsprekend;
onderscheiden we ons van hen,
dan zijn ze raar.
Maken we ons van hen los,
dan voelen ze als vreemden;
gaan we onze eigen weg,
dan verdwijnen ze uit beeld.
Voelen we ons misdeeld,
dan zijn zij de schuld;
ervaren we onszelf als slachtoffer,
dan waren zij de daders.

Erkennen we de pijn in onszelf,
dan krijgen we oog voor wie zij zijn – of waren;
hebben we ons onvolkomen verleden geheeld,
dan zijn we in staat tot vergeving.
Beschouwen we onszelf als zielen in doorgaande ontwikkeling,
dan hebben we hen gekozen als leraren op ons aardse pad.
En vallen we samen met ons bestaan,
dan zijn we dankbaar voor Dat Wat Is.