Het pijnstilravijn

‘Sterk spul, hè,’sms-te ik met lichte spot naar mijn zus Wil, maar ik was ontdaan. Ik had mijn moeder met open mond snurkend aangetroffen, en ze gaf geen sjoege. Hoe lang zat ik daar nu al? Dankzij een pompje, een plakkertje en een infuusje was ze zo te zien compleet van de wereld. De pijn was de dagen ervoor erger geworden, de pijnstilling moeilijk stabiel te krijgen, de beurt was nu  aan de morfine. Maar klopte dit wel? Was deze reactie niet veel te heftig? De huisarts liep even binnen en ik vertelde hem hoeveel praats ze gister nog had, hoe we samen gelachen hadden. ‘Wees blij,’zei hij, ‘koester het maar. Pas na vierentwintig uur is het lichaam gewend aan zo’n begindosis, dus we kijken het aan.’
Haar lippen waren droog, dus ik pakte de vaseline. Ze schrok zich rot toen ik haar aanraakte. Haar armen vlogen omhoog en verwilderd zocht haar blik houvast. ‘Rustig maar, mam,‘en ik pakte haar hand, ‘kijk me maar aan.’ Dat deed ze, en ik zag de paniek in haar ogen plaats maken voor herkenning: ‘t is ons Riet mar, ‘t is goed. Ook leek ze iets te willen zeggen, maar dat lukte niet. Dit deed me denken aan het lied dat bij de begrafenis van mijn vader gezongen werd, 44 jaar eerder: ‘Ik roep uit de diepten tot u, Heer…’ Het was alsof mama in een pijnstilravijn gedonderd was en wilde roepen dat dit nou ook weer niet de bedoeling was…
‘Ik lig hier nie om dood te goan,’ had ze een week eerder nog kribbig gezegd tegen een verzorgster die vergat haar hoofdeinde weer omhoog te doen. En de dag ervoor: ‘Ik verrek van den honger.’ Drie hapjes pap verder was dat over, maar zo zette ze ons steeds weer op het verkeerde been.
Nu praatte en zong ik, met haar hand in de mijne. Het ene lied na het andere stroomde uit me, totdat ik afsloot met: ‘Laat ik nou maar eens stoppen. Misschien denk je allang: hou toch eens op met oew kattengejank.’ Mijn glimlach was voor ons allebei.
Ik moest naar huis, had afspraken, maar wilde haar niet alleen laten. Na Els gebeld te hebben loste zij me twee uurtjes later af. Al die tijd bleef mama onder zeil. Ik kuste haar op haar voorhoofd, streek over haar haar, vertelde haar dat ik gauw weer komen zou en ging.

De volgende dag fietste ik in de polder, uitwaaiend, op weg naar mijn geliefde struinplek langs de Bisonbaai. Waar was ze nou? Zou ze, nu ze vierentwintig uur gewenning achter de rug had, weer een beetje uit dat morfineravijn geklommen zijn?
Boven het land zag ik haar alsmaar voor me als de mooie jonge vrouw die ze ooit was. Licht, blij. In een wolkensliert steeg ze op van de aarde, zoals Aladin uit de wonderlamp. Maar de onderste punt van de wolk zat aan de horizon vast… Ik vroeg haar, daar in het blauw van de lucht, hoe het nou zat. Wat moest ze nog met dat oude zieke lijf hier beneden?
‘Ja,’ glimlachte ze,’dat gedoe en gesjor met dat pijnlijke logge lichaam, dat is me wat…’ Ze leek het niet erg te vinden. Dat moest nog even. Het was bijna klaar.
Om half 9 ’s avonds ging de telefoon. Mama was overleden.

P.S. Oda Ongeduld postte laatst de mededeling, dat dit de laatste bijdrage aan het moederthema zou zijn. Trek je er niets van aan, dat doe ik ook niet. Het verhaal van het heengaan van mijn moeder wil verteld worden tot het rond is, in de vorm die zich stap voor stap ontvouwt. Volgende week meer. Mijn verhalen van Wilde Wind, die popelen om verteld te worden, waaien niet weg. Ze warmen zich op aan de lentezon.