Mar énen dood schuldig

Het begon met een schilferend plekje op haar wang. ‘Wat heb je daar toch, mam?’ ‘Weet niet.’ Het deed geen pijn, maar ging niet weg. De dermatoloog gaf een zalfje; het was een onschuldige huidaandoening. Totdat ie ontaardde in plaveiselcelkanker. ‘Dat gaan we weer mooi in orde maken, mevrouw,’ zei de plastisch chirurg, en hij zette een stukje huid van haar dijbeen in haar wang. ‘Als ik er zo uit blijf zien ben ik net zo lief dood,’ was haar commentaar voor de spiegel. ‘Dieën dokter zou me mooi maken?!’ Wist zij veel dat plastisch chirurgen nog andere taken hebben dan de make-overs die ze op tv langs zag komen. En het bleek nog erger: er was een zenuw geraakt, met een scheve mond en een tranend oog tot gevolg. Nu kon ze  niet meer lezen, terwijl ze De rijstmoeder nog niet uit had en Het boek Dina al op haar lag te wachten. Gelukkig, het trok bij. Na een paar weken was haar gezicht weer recht. Die rare platte wang met grote poriën bleef, en ze vroeg zich keer op keer hardop af wanneer dat nou eens over zou zijn. ‘Dat gaat niet meer over, mam,’ zeiden we om beurten.
‘Dat ik dit nou toch mee moet maken. Zou het zijn omdat ik altijd zo ijdel ben geweest?’ vroeg ze zich een paar maanden later af. Haar verzorger had een bult in haar hals ontdekt, het bleek uitgezaaid en ze kreeg vijf bestralingen in de hoop op krimp, zodat het minder pijn deed. Het kromp niet, het ging open; een nare wond als gevolg.
‘Dit zal m’nen dood dan wel worden,’constateerde ze toen er niks aan te doen viel. Wonderlijk genoeg, gezien haar karakter, werd ze de maanden die volgden niet kwaad of chagrijnig, maar stil en zacht. Hoeveel moed had dit wijfie nodig om gewoon naar de eetzaal te gaan, terwijl iedereen kon zien – kon ruiken zelfs – hoe geschonden ze was? Zij, altijd keurig gekapt en met weinig rimpels – ‘Jij zeventig, tachtig, negentig?! Dat zou je niet zeggen!’, haar handelsmerk, forever young – ging nu met een sjaal losjes om haar hoofd de deur uit. Maar de spiegel in de lift toonde het toch: het was niet veel moois meer.
Bang voor de dood was ze niet. ‘Ik zie wel hoe het komt, ik wacht mar af. Ge bent mar enen dood schuldig,’ wat zoveel wil zeggen als: Iedereen die leeft gaat een keer dood. Het geschenk van het leven houdt in, dat we aan het eind ervan nog iets moeten, namelijk doodgaan. Dat hoeft maar één keer, ieder op zijn eigen manier: Ge bent mar enen dood schuldig.