Opgedoekt

Vannacht droomde ik voor het eerst sinds ze dood is over mijn moeder. Een gedenkwaardige gebeurtenis, ervan uitgaande dat de sluier tussen de werkelijkheden ’s nachts dun is en er echt een vorm van uitwisseling plaatsvindt. Ik hoopte er al op sinds mijn oudste zus Els een week na mijn moeders uitvaart droomde, dat ze naast haar kwam zitten in de bus. Els zei toen tegen haar: ‘Hé,mam, dat is niet de bedoeling, we hadden toch afscheid genomen?!’ Waarop mijn moeder, zo vertelde Els, weer zachtjes verdween.
Ons mam weet wel bij wie ze een kijkje komt nemen… dacht ik toen mijn zus dit vertelde. Ik zou haar vast en zeker aan de praat hebben gehouden om eens te informeren hoe het er aan de andere zijde aan toe gaat. En het is de vraag of ze daarmee – op weg naar het licht – gediend zou zijn. We moeten onze overledenen immers de ruimte geven om te gaan en hen niet vasthouden in aardse sferen met praatjes in de bus en ander ondermaans vertier. Zeggen ze.

Of mam vannacht werkelijk vanuit een andere dimensie bij mij op bezoek is geweest weet ik niet. En eigenlijk doet het er ook niet toe. Ik voel me toch wel verbonden met haar, en niet alleen in mijn herinnering. Ook in het nu, waar we ieder ons ding doen. Ik achter mijn laptop, zij elders in het universum, bevrijd van haar aardse kleed, zoals de indianen het zo mooi zeggen. Haar tweeënnegentigjarige kloffie was echt tot op de draad versleten, dus het is haar van harte gegund dat ze het kon afleggen. Haar reis gaat verder, en als ik me op haar afstem, zie ik haar jong en licht.
Zo niet in mijn droom! Samen met mijn zus Wil sta ik, met mijn oude stramme moeder in de rolstoel,voor de deur van haar kamer in het verzorgingshuis. Eerst het gebruikelijke gehannes met de sleutel, moeizaam opgediept uit haar tasje. Dan duw ik de deur open en wat zie ik? Kaal beton! Oh jé, die lege kamer… dit mag mama niet zien! Els legt er binnen de laatste hand aan, voor de oplevering. Maar dit is fout getimed, mijn moeders huisje nu al opgedoekt! Omdraaien maar…

Einde droom, maar zo was het wel, in het echt. Bijna. Beetje anders, maar toch! Wist jij, dat als je vader of moeder in een verzorgingshuis woont, de kamer één week na het uitblazen van de laatste adem volledig ontruimd en gereinigd opgeleverd dient te worden?
We hebben het gered, mijn broer, zussen, zwagers, mijn man en ik. Met verve, plezier en weemoed. Maar grof vonden we het, dat we in de dagen van onze eerste stappen in de realiteit van haar dood, met alle gevoelens die daarbij horen en met de taak, haar afscheidsdienst voor te bereiden, mijn moeders kasten moesten leeghalen en de hoekjes, gaatjes en laatjes van haar leven moesten doorploegen om ruimte te maken voor de volgende op de wachtlijst.
In mijn wensdroom stond ze erbij en keek ernaar, met plezier en weemoed, jong en licht. ‘Kijk ons nou, mam.’ ‘Ja, ik zie het.’