Tien dagen

Oudjaar. We werden gebeld dat het niet goed met haar ging. Ze voelde zich beroerd en tegen de verzorgster had ze gezegd dat ze dood wilde. Els en ik reden er samen heen. Onderweg bemijmerden we dat het een symbolische dag was om te sterven, maar dat het ook zou kunnen zijn dat ze ons verwelkomde met: wat doen jullie hier met z’n tweeën?!
‘Wat fijn dat jullie er zijn,’ zei ze. ‘Ik voel me zo ziek, ik heb overgegeven.’
Even later kwam Hetty: ‘En wat gaat u dadelijk tegen de dokter zeggen?! Nee, kijk maar niet naar uw dochters, zeg het maar tegen mij.’ Met Hetty had mama veel op, het was haar lievelingsverzorgster. Het zal een jaar geleden zijn dat diezelfde Hetty me confronteerde met mijn dochterlijke kramp. Destijds maakte mijn moeder een of andere chagrijnige opmerking en terwijl haar krengerigheid mij lam sloeg, nam Hetty mijn moeders wangen tussen haar handen, gaf er klapjes op en maakte een grapje. Mijn moeder lachte, totaal ontwapend! Wat ze deed leek op die truc om een serpent van een vrouw in gedachten vlechtjes en roze sokjes te geven, of een bullebak van een vent een Lederhose en een feesthoedje te verschaffen, met elastiekjes om de oren… Jaloers besefte ik toen, dat Hetty iets kon wat mij vooralsnog niet lukte.
Was het concurrentie tussen Hetty en mij die me nu parten speelde, flabbergasted als ik was? Nee, dit was gewoon een doorgeslagen actie van Hetty. Alsof ons mam alleen tegenover haar bekende dat ze het leven zat was. Echt niet.
Even later vertaalde ik de officiële termen van haar huisarts over levenseindescenario’s voor haar: ‘Mam, de dokter bedoelt of je een spuitje zou willen als het te erg wordt.’ ‘Oh nee, dat niet. Maar het is fijn dat ze iets hebben voor als ik teveel pijn krijg.’En zo werd nog eens bevestigd: geen actief ingrijpen, maar wel het gebruikelijke rijtje van morfine, haldol en dormicum achter de hand.

De volgende dag stond ze weer op. Het ging immers beter. Op de deur van het tehuis verscheen een plakkaat met de mededeling, dat er buikgriep heerste. Verrek, zou ze..?  Nee, ze was op. Ze hing voorover in haar stoel, at wat havermout en sloot haar ogen. ‘Wil je weer naar bed, mam?’ ‘Ja.’
Ze sliep veel, kreeg meer pijnstillingspillen voor tijdens de verzorging, at muizenhapjes pap, kreeg lepeltjes water en sprak open over de kwetsbaarste onderwerpen. Toen ze haar glow-in-the-dark Mariabeeldje uit Lourdes zag staan begon ze Avé Avé te zingen, met een verlegen lachje. Ik viel in waar haar stem haperde. Ik kan me niet herinneren dat we ooit eerder samen zongen.
Elke dag was een van ons bij haar. Ze ontspande zichtbaar nu ze niks meer hoefde en genoot van alle aandacht. De pijn werd erger. Afgesproken werd, dat ze de volgende dag een infuusje zou krijgen met een begindosis morfine. Die middag nog zat mijn jongste zoon Maris naast haar op een stoel. Ze vroeg water en ik kwam met het glas en het lepeltje. Voor het gemak ging ik op Maris’ schoot zitten. ‘Nou mam,’zei ik, ‘dit is twee keer de omgekeerde wereld: ik zit bij mijn zoon op schoot, en ik voer m’n moeder met een lepeltje in plaats van andersom, zoals vroeger.’ Lachend knikte ze. Even later viel haar oog op de knuffel die op haar buik was beland, een kleurige schildpad die ik, als symbool voor haar ouderdom, voor haar 92ste verjaardag had meegebracht van mijn reis naar de Azoren. Ze gaf er zachte klapjes op en zei met een guitig gezicht: ‘Die is vannacht geboren!’ We keken elkaar gedrieën om beurten aan en Maris en ik proestten het uit ; ons mam hikte zachtjes mee van plezier.
Op weg naar huis dacht ik, nog nagrinnikend, aan wat mijn moeder me ooit vertelde: dat ze vroeger alleen al graag weer in verwachting zou raken omdat ze dan straks, als het kindje er was, weer tien dagen op bed mocht blijven liggen en verwend zou worden… Associeerde ze deze periode met een kraambed? Wat heerlijk voor haar. En waarom ook niet? Er was ook nu een geboorte op handen: die van haarzelf, in de andere wereld…
Iets wat ik toen nog niet wist, maar wat  al gauw zou blijken: haar bedlegerige laatste fase duurde, frappant genoeg, precies tien dagen.