Van Lieve Rietje tot mispunt en verder (wortels 3; slot)


Over mijn vader kan ik uit eigen ervaring niet veel meer vertellen dan ik hiervoor al deed, hij is al zevenveertig jaar dood. Zestien was ik toen hij stierf, dus ik heb nooit een volwassen gesprek met hem gevoerd. Wat had ik hem graag bij leven beter leren kennen met een zekere distantie, als grote mensen onder elkaar.
De laatste woorden die ik me van hem herinner zijn: ‘Zeg maar tegen mama dat ik niet geopereerd hoef te worden.’ Vreselijke, afschuwelijke woorden waren dat; hun impact sloeg me vol in het gezicht, zonder dat ik ook maar een kik kon geven. Papa sprak ze uit op die dag dat ik hem ’s avonds in mijn eentje bezocht in de longkliniek, waar hij voor verder onderzoek was ondergebracht. We waren al dagen aan het wachten op de uitslag, en de grote vraag was of hij nog geopereerd zou kunnen worden of werd opgegeven. In 1968 werd het k-woord niet uitgesproken tegenover de patiënt, en mijn moeder en wij dochters deden daar onontkoombaar aan mee. Mijn kleine  broertje van vijf werd al helemaal overal buiten gehouden; voor kinderen geen leed alsjeblieft.

Jeanne 1968 - 012 Kerstdiner met papa in de 7 deuren kamer op nr. 150

Kerst in de keuken, 2 mnd voor papa’s overlijden

Dat de woorden waarmee mijn vader me aan het eind van het bezoekuur naar huis stuurde zijn doodvonnis betekenden, besefte ik als vijftienjarige onmiddellijk, maar de zwijgcode was krachtig, ik gaf geen krimp. Op de fiets naar huis was mijn grootste zorg: hoe vertel ik het mama? Ik wist het niet. Meteen na thuiskomst vroeg ik mijn oudste zus of ze met me mee naar boven ging. Boven aan de trap hing een kruisbeeld met een inbedroefde Jezus en ik herinner mij dat ik mij tijdens het beklimmen van de traptreden voor steun en toeverlaat tot Onze-Lieve-Heer richtte. Niet lang daarna raakte hij volledig buiten beeld. Geloven in zijn hemelse inbreng lukte me niet meer.
Samen hebben mijn zus en ik de onheilsboodschap aan mijn moeder verteld en na een week kwam mijn vader thuis. Ongeneeslijk verklaard, uitbehandeld. Maar daar werd niet hardop over gesproken.

Zo’n half jaar later, woensdag na carnaval, werd ik tijdens het eerste uur de klas uit gehaald. De dagen daarvoor was ik met een paar vriendinnen de hort op geweest en we waren gezellig bij Maud blijven slapen. Mijn vaders toestand was weliswaar hopeloos, maar niet terminaal, en wat doe je dan als zestienjarige? Gewoon plezier maken, dus. Maar nu stond ik in de kamer van de decaan. ‘Het gaat helemaal niet goed met je vader,’ zei hij, en na een korte pauze: ‘Hij is vanochtend overleden.’ Even later zat ik op de fiets naar huis. Maud reed naast me om me tot daar te vergezellen. We hadden het er niet over. Het was onuitsprekelijk erg en ongemakkelijk. We hadden feest gevierd nota bene, en nu was mijn vader opeens dood, toch nog onverwacht. Toen mijn moeder mij zag binnenkomen – mijn zussen waren er al – vloog ze op me af en begon te huilen. Dat was ongekend. Ik hield haar vast, troostte haar en voelde me groot.
Mijn vader heb ik niet meer gezien, hij was al opgehaald. Later hoorde ik dat hij die ochtend, vlak voor zijn dood, tegen mijn moeder heeft gezegd: ‘Ik ga.’ Maar niet nadat hij vlak daarvoor, ontzettend benauwd, vloekend rechtop in bed was gaan zitten, ‘godverdomme!’ roepend.

‘Ik roep uit de diepten tot U, Heer, want bij U, Heer is erbarmen. Uit de diepten o Heer roep ik tot U, Heer hoor naar mijn stem. Laat uw oor aandachtig luisteren, naar de stem van mijn smeken…’ klonk het een paar dagen later bij zijn begrafenis. Tantes die ik nog maar zelden gezien had snikten het uit, mijn moeder, mijn zussen en ik zaten met rechte rug en droge ogen flink te zijn. We wisten niet beter. Wel weet ik nog dat ik boos was op die snikkende en sniffende zussen van mijn vader. Hoe konden zij nou zo verdrietig zijn, terwijl ze hem maar twee keer per jaar zagen? Het was mijn vader die daar in die vreselijke diepten moest smeken om erbarmen, van God en alleman verlaten. ‘Een warme bakker,’ zei de pastoor. Jaja, maar nu was hij koud en het grauwe zou nooit meer weggaan bij ons thuis.

Twee tastbare herinneringen heb ik van hem. Zijn schieter, het stuk houten gereedschap waarmee hij de broodbussen de oven in- en uitschoof, en het versje dat hij in mijn poëziealbum schreef toen ik acht jaar was. Het is een van de weinige dingen die hij schreef, afgezien van de hoeveelheid mikken en de namen van de klanten in zijn opschrijfboekje.
poezieversje
Voor mij is dit veel meer dan een poëzieversje dat ik als achtjarig grietje van hem in mijn album kreeg. Ik herken er mijn vaders levenshouding in, dit heeft hij mij voorgeleefd, en ik koester het als een liefdevolle boodschap die me nog altijd vergezelt.
Ik identificeer me graag met mijn vader. Lange tijd vond ik dat ik uitsluitend op hem leek qua karakter: het type stille wateren. Ik ben een vaderskind, jawel, maar wel met terugwerkende kracht. Ik besefte de band met mijn vader pas toen hij er niet meer was en ik ben mij er van bewust dat de dood uitnodigt tot het romantiseren van wat er bij leven was. Het weinige dat mijn vader en ik deelden is in mijn herinnering dan ook bijna niets dan goeds; vaderlijk goeds dat fraai afsteekt tegen – jawel – moederlijk venijn…

‘Adder van een jong,’ zei mijn moeder vroeger tegen me als ik een brutale mond opzette. Of ‘mispunt dat je bent.’ Als ik haar als veertienjarige verbaal van repliek diende door haar een kreng van een mens te noemen, vroeg ze zich woest en hardop af: ‘Heb ik je daarom naar die school gestuurd?’ Het schrijnende is, dat ik haar in die tijd ook werkelijk steeds dommer ging vinden. Niet omdat ik meer ‘wist’ vanuit school, maar omdat ze zo kinderachtig deed als we het ergens niet over eens waren. Overigens kwam ze er, als ze me in het vuur van de strijd had uitgemaakt voor iets lelijks, zo nu en dan even later wel op terug. ‘Dat meen ik niet zo, hoor,’ bekende ze dan, ‘maar je maakte me ook zo giftig!’ Zachtzinnig gingen we bepaald niet met elkaar om. Mijn ervaringen met het gehate felle karakter van mijn moeder hebben me ook in de jaren na de dood van mijn vader nog vaak in zijn richting gedreven; in mijn verbeelding voelde ik me bij hem beter thuis dan bij haar.
mam en ik0001‘Aan jou heb ik nooit wat gehad,’ vertrouwde mijn moeder me een paar jaar geleden nog toe. Geschrokken, maar min of meer gewend aan grof geschut van haar kant, vroeg ik wat ze bedoelde. Weliswaar bleek het niet meer dan mijn weigerachtigheid te zijn een poot uit te steken in het huishouden toen ik nog thuis woonde, maar de toon was als vanouds. Dolken, zou een vriendin van me ze later noemen, als we gezusterlijk onze moederwonden onder de loep namen.
Ze was ook leuk, mijn moeder. Je kon met haar lachen als ze een gekke bui had en haar kunstgebit uitdeed, een hoofddoekje omknoopte en ons als heks achternazat om de keukentafel. En die keer dat ze vond dat we in de meimaand maar eens aan Mariaverering moesten doen en ons op de knieën voorging in gebed. De litanie van Maria, met aanroepingen als ‘mystieke roos’ en ‘ivoren toren’ werd door mijn zusje, de dondersteen van het stel, spontaan geparodieerd door er ‘tinnen vaasje’ aan toe te voegen. Wij in een deuk, mijn moeder ook. ‘Och, duvel maar op, ga maar spelen,’ was haar commentaar. Het hoefde voortaan niet meer, dat vrome gedoe. Stoer was mijn moeder ook. Voor onweer, spinnen of door opa gevangen dode vissen was ze niet bang. Wij ook niet. Niet flauw zijn was het motto, en dat was dat.  Zij leerde ons  zwemmen in de Maas, en het was de gewoonste zaak van de wereld dat we ons er bekwaamden in een forse schoolslag naar de overkant. Als het ene schip net voorbij was en het volgende nog ver weg, waagden wij de oversteek.

‘Zeg het weesgegroet maar op,’ gaf ons mam als antwoord op mijn vraag waar de kindertjes vandaan kwamen. Ook over die vreemde badstof doeken wilde ik de waarheid nou wel eens weten. ‘Voor papa’s been’, had ze altijd gezegd over die lappen met knoopsgaten die geregeld aan de waslijn hingen. Mijn vader had een open been, dus daar zou dat verband dan wel voor zijn, maar toch klopte er iets niet. Het had te maken met geheimzinnige dingen waar zij en mijn zussen over fluisterden. En nu moest ik tot Maria gaan bidden? Wat was dat nou weer voor stoms?! Ik weigerde pertinent, me tegelijk verlegen en terechtgewezen voelend. Maar haar aansporing was geen oproep tot gebed of een variant op het spoelen van je mond als je iets lelijks hebt gezegd, bleek even later toen mijn moeder het bedoelde Mariagebed dan zelf maar opzegde: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met U. Gij zijt de Gezegende onder de Vrouwen en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot…’ Voilà mijn moeders poëtische oplossing om mij in te wijden in het vrouwenmysterie bij uitstek. Zo lief bedoeld en mooi ook wel, als je er geen gewone woorden voor hebt tegenover een achtjarige.
Ze had ons graag op schoot. Lekker kroelen met haar kroost, daar hield ze van. Als je jezelf daar te groot voor vond, werd het uitwisselen van lichamelijke affectie wat lastiger. Zo kon ze je – puur omdat ze het niet laten kon – een flinke klap op je blote bovenbeen geven. Au! Maar ze vond het heerlijk als we kappertje met haar wilden spelen; scheidingen trekken en lekker frutten aan haar hoofd. Daar ging ze echt voor zitten.
Mijn liefde voor boeken komt van haar, ze gaf hem mij met de paplepel in. Waar mijn vaders boekenwijsheid niet verder reikte dan wat de lagere school hem geboden had, las mijn moeder over het leven van anderen in de vele romans die ze van de bibliotheek haalde.

Jeanne en Frans0001Pennenstreken zijn het, een handvol beelden van de twee mensen bij wie ik opgroeide, mijn ouders. Ik doe ze geen recht door deze impressies. Complete mensen waren ze, zoveel gelaagder dan wat ik beschrijven kan. Ik ben me ervan bewust dat mijn ouders mijn hele leven lang met me meelopen en in de meest verrassende toonaarden hun invloed doen gelden. Tot op de dag van vandaag. De thema’s die zij aandroegen, keren in eindeloos geraffineerde variaties terug als inspiratiebronnen, hobbels en valkuilen. Ik zal – of ik dat nu wil of niet – voor een deel herhalen wat zij me voorleefden, me tegen hen afzetten, boos, verdrietig, blij en dankbaar zijn, van koers veranderen, vernieuwen, terugvallen, berusten, doorbreken, loslaten.
Ik begon deze zomerserie omdat ik er plezier in had. Terugblikkend, redigerend en publicerend wat ik  in een persoonlijke queeste opschreef, realiseerde ik me de afgelopen weken dat wat ik eigenlijk wil zeggen, vervat is in het gedicht dat geboren werd tijdens het blootleggen van mijn wortels. Dankbaar en vol respect draag ik mijn woorden op aan Jeanne Goedmakers en Frans van Rooij, en aan alle mensen die bereid zijn om de ouderrol op elkaars zielenpad te vervullen:

Ouders

Identificeren we ons met hen,
dan zijn ze vanzelfsprekend;
onderscheiden we ons van hen,
dan zijn ze raar.

Maken we ons van hen los,
dan voelen ze als vreemden;
gaan we onze eigen weg,
dan verdwijnen ze uit beeld.

Voelen we ons misdeeld,
dan zijn zij de schuld;
ervaren we onszelf als slachtoffer,
dan waren zij de daders.

Erkennen we de pijn in onszelf,
dan krijgen we oog voor wie zij zijn – of waren;
hebben we ons onvolkomen verleden geheeld,
dan zijn we in staat tot vergeving.

Beschouwen we onszelf als zielen in doorgaande ontwikkeling,
dan hebben we hen gekozen als leraren op ons aardse pad.
En vallen we samen met ons bestaan,
dan zijn we dankbaar voor Dat Wat Is.

Ik heb besloten om het hierbij te laten. Mijn persoonlijke geschiedenis is een bron van inspiratie voor wat ik doe, laat, schrijf, coach, leef, maar het is tijd voor nieuwe verhalen. Ik laat ze rijpen in de zomer.