Zomerserie (1): De in het ganse land schitterende

Juni. Opnieuw de maand waarin volgens indiaanse wijze-vrouwentraditie ‘Verhalenvertelster’ aan de beurt is. Vorig jaar begon ik hier aan het vertellen van mijn levensverhaal, voorgesteld als een zielenreis. (Daarin beschouw ik alles waarvan gezegd wordt dat we er niet zelf voor kiezen – onze ouders, ons lichaam, onze geboorte, onze jeugd, onze afkomst – als precies-goed; de perfecte bedding voor wat we hier komen doen.)
Ik eindigde toen met de mededeling dat ik met de tang geboren werd. Ik beloofde meer, maar tot nu toe paste het niet. Nu wel. In een zomerserie blogs vertel ik de komende weken over mijn roots.
Waarom? Omdat ik er plezier in heb. En omdat alles wat ik weet, waar ik van hou, wat ik mensen te bieden heb, samenhangt met waar ik vandaan kom. Want ook in wat ik anders wil en anders doe, bouw ik voort op mijn wortels. In dat besef heb ik met vallen en opstaan leren houden van het leven: van het gewone en van het mysterie.
‘Het is tijd om eigenaar te worden van wie we geworden zijn,’ las ik laatst. Als ik anderen daartoe kan inspireren door mijn verhaal te vertellen, doe ik dat graag.
[Het cursieve deel vertelde ik al eerder.]

De in het ganse land schitterende

RietjeInKinderwagenMijn leven begon op de beste plek die er was. Het huis van mijn ouders stond op een steenworp afstand van de kerk en aan de overkant lag de Kalverschaar, een wei met koeien. In die driehoek van spiritualiteit, levende natuur en liefde landde ik, met het lichaam van een negenponder, om mijn aardse avontuur aan te vangen. De twee mensen die mijn vader en moeder werden, waren het meest geschikte ouderpaar dat ik had kunnen vinden. Ze vertoonden de ideale mix van kwaliteiten en tekortkomingen die ik me wenste voor mijn plannen. Met hen als bakermat zou ik helemaal aan mijn trekken komen om te leren wat er deze reis te leren viel – en te manifesteren natuurlijk. Want we komen niet alleen halen, maar ook wat brengen. Toch?
Alles klopte aan die twee. Hun familieachtergronden, wat ze deden voor de kost, hun lichamen met het DNA waarvan ik gebruik zou maken, hun karakters en hun lot. Ook de twee dochtertjes die ze al hadden, plus het jongetje dat vele jaren later zijn opwachting zou maken als mijn broertje, hoorden bij het ideaalplaatje waar ik naar op zoek was. Kortom, de omstandigheden en medespelers die mij vergezelden, vormden de perfecte voedingsbodem voor mijn bestaan als Riet van Rooij; ze zouden een gulle leverancier worden van het lief en het leed dat ik meende nodig te hebben.

En gij geleuft dè?! zou mijn moeder zeggen… Ja, ik geef het toe, ik bagatelliseer. De manier waarop ik mijn afkomst hier stuiterend van enthousiasme introduceer is op zijn minst overdreven en in elk geval een grove simplificatie van het mysterie van geboorte, bewustzijn, leven. Maar zit er misschien toch iets in? Is het idee dat er een groter zelf ten grondslag ligt aan ons aardse bestaan onwaarschijnlijker dan dat we volkomen willoos en onwetend in een willekeurige wieg belanden? Is de opvatting dat we louter producten zijn van onze ouders, generatie na generatie opkomend, blinkend en verzinkend, aannemelijker dan dat er een ruimere werkelijkheid bestaat?
De indiaanse traditie vertelt ons poëtisch dat het lichaampje dat onze ouders voortbrengen het kleed is dat we aantrekken voor onze reis door het aardse bestaan. En wie maakt die reis dan? Onze spirituele essentie, onze Orenda: een bewustzijn dat weidser is dan ons aardegebonden mensenverstand en dat deel uitmaakt van Groot Mysterie, het goddelijke principe dat vele namen kent. Dat vind ik mooi. En voor mij persoonlijk is het idee dat een groter en wijzer aspect van ons dan ons menselijke ‘ik’ inbreng heeft in het avontuur waar we bij onze conceptie aan beginnen, een van de rijkste vondsten die ik deed op mijn zoektocht om het leven te begrijpen.

Allemaal mooi en aardig, denk je misschien, en wie weet komen we inderdaad met een reisplan en bijbehorende bagage naar deze aardkloot, maar waarom hebben we daar dan, als we hier eenmaal rondlopen, geen bewustzijn over? Waarom is ons weten versluierd en moeten we het wiel en al het andere opnieuw uitvinden? De oude Grieken zeiden het al: als we geboren worden steken we de vlakte van Lethe over, de vlakte der vergetelheid. Dat is nodig om het leven te leven waarvoor het bedoeld is: ervaren, doorleven, leren, groeien, scheppen; met heel ons hebben en houden vormgeven aan ons bestaan en zo een uniek brokje bewustzijn toevoegen aan het geheel. Zouden we ons van het begin af aan alles herinneren wat onze ziel al weet en wat we zoal aan den lijve willen ondervinden aan kommer, kwel en lichtere kost, dan zouden we niet afdalen in de stamppot van het leven. We zouden er wijselijk boven zweven, en dat voegt niks toe. Onze drang om te leven, om met zintuigen, een hart en een stel hersens ervaringen op te doen in de aardse dimensie is onze drijfveer. Dus nieuwsgierig gaan we op pad…

Nee, ik loop niet voortdurend sereen glimlachend alle pijn en teleurstellingen van het bestaan te trotseren met de slogan ‘daar heb ik blijkbaar zelf voor gekozen’. Jakkes, echt niet. Je moest eens weten hoe ik strompelend en struikelend de zestig heb gehaald. Sterker nog: daar ga ik je iets over vertellen, althans, over hoe mijn avontuur begon en met welke bagage ik de wijde wereld introk. Daarover gaat dit verhaal – in bloglange stukjes.
Ik schrijf niet omdat ik bijzonder ben, welnee, niet meer of minder dan jij. Maar door mijn verhaal te vertellen wil ik, als specifiek exemplaar van onze soort, ter leeringhe ende vermaeck laten zien: Kijk ons toch eens stumperen, vallen, opstaan en ons best doen om zin en betekenis te geven aan ons bestaan.

Het begon al goed. Ik werd met de tang geboren. Thuis. In de jaren vijftig hadden huisartsen nog een verlostang in hun dokterstas. Maar goed ook, anders was het avontuur al afgelopen voordat het goed en wel begonnen was.
‘Dit kind heb je niet zelf gebracht,’ zei de huisarts tegen mijn moeder toen ik eenmaal met vereende krachten naar buiten was gewerkt. Een rare uitspraak, maar mijn moeder citeerde hem altijd letterlijk als mijn geboorte ter sprake kwam. Ze had gefaald in de ogen van meneer den dokter. En ik in de hare, trouwens. Ik kwam zeventien dagen na de uitgerekende datum, was uitgegroeid tot een bonk van een kind – en dat bij zo’n klein moedertje – en bleek ook nog eens een griet te zijn! ‘Papa had graag een jongen gewild,’ vertelde ze. En zij daarom ook. Voor hem, om het goed te maken. Want zij vond het best leuk om er weer een baby bij te krijgen, maar voor mijn vader betekende het weer een mond extra om te voeden. Nu ook de derde boreling een meisje was, viel dat extra tegen, ‘maar’, voegde ze er altijd gul aan toe, ‘toen je er eenmaal was hielden we toch wel van je, hoor.’
FransvRooijSrMet gezwinde spoed werd mijn vader naar de apotheek gestuurd voor een middel tegen de bloeding waaraan mijn moeder ten prooi viel. Op de terugweg fietste hij even bij oma langs om te vertellen dat ze er een dochter bij hadden. ‘Wat doe je dan hier? Maak maar gauw dat je thuiskomt met die medicijnen!’ beet mijn moeders moeder hem toe toen hij vertelde waarom hij op pad was.
In de toedracht bij mijn geboorte kwamen aardig wat thema’s naar voren die als rode draden door mijn leven zouden gaan lopen. Als we dan een soort medescheppers van ons leven zijn, is de manier waarop we ons leven beginnen natuurlijk al geen toeval of een kwestie van pech of geluk hebben; het is een visitekaartje, een eerste presentatie van wie we zijn en wat we komen doen.
In mijn geval – tweeënhalve week over tijd, niet op eigen kracht naar buiten komen – tekende het spanningsveld waarin ‘ja ik wil’ strijdt met ‘nee, toch maar niet’ zich al af…. Toen een astroloog later in mijn leven vertelde, dat ik een horoscoop heb waarin enthousiasme voor de aardse dimensie gepaard gaat met een ‘oh jé, waar ben ik aan begonnen?’, slaakte ik een zucht van herkenning.
Hoe het ook zij, dankzij de vereende krachten die samenwerkten onder mijn geboortegesternte, kwam ik op mijn plek terecht, in het bed van mijn ouders aan de Oude Rijksweg in Orthen, een gehucht dat tegen Den Bosch aanschurkt. De toon was gezet, ik kon mijn hoogstpersoonlijke lied van ja’s en nee’s tegen het leven gaan zingen, zoals we dat allemaal doen naar gelang we gebekt zijn…
Ik kreeg een wiegje, twee volle borsten met moedermelk en drie namen: Maria, Lamberta, Adriana. Met Maria als leidsvrouwe en de peettante waarnaar ik vernoemd werd, bleek ik het in de loop van mijn leven best te kunnen vinden. Lambertus was de naam van mijn peetoom en betekent ‘de in het ganse land schitterende’ – voor minder zou ik het ook gedaan hebben.
Adriana werd de vernoeming naar mijn moeder, en zij blijkt tot op de dag van vandaag de hardnekkigst aanwezige spirituele leraar op mijn levenspad…
Dat mijn roepnaam Riet werd heb ik mijn ouders niet in dank afgenomen. Wat een boerentrienennaam vond ik dat. Maar toen ik me later in mijn leven realiseerde dat ik hetzelfde heet als dat prachtig wuivende gras met zijn pronte pluimen, buigzaam en zacht zingend in de wind, kreeg ik er vrede mee.
Als ons Rietje, de derde dochter van bakker Frans van Rooij en zijn vrouw en winkeljuffrouw Sjaantje – Jeanne – Goedmakers, stak ik die dag in de herfst de vlakte van vergetelheid over en begon ik aan mijn reis naar het onbekende…