Een nest in een notendop (wortels 2)

[Vooraan beginnen met lezen over mijn geboorte en ontvangst? Klik in de rechter kolom op ‘mijn wortels’ en scroll naar beneden.]

Jeanne 1960 - 011 In de nieuwe winkel

‘Ons Pap’ en ‘Ons Mam’, bij de opening van de nieuwe winkel in 1959

Mijn vader

at stapels boterhammen met spek of suiker. En hij zei: ‘Nou ga ik ’s efkes aveceren,’ wat betekende dat hij ging voortmaken, in een hogere versnelling ging. Maar zulke deftige woorden gebruikte hij niet, en we hadden geeneens een auto. Of de motorbakfiets versnellingen had weet ik niet…
Doordeweeks rookte hij Gladstonesigaretten en zondags Agiosigaren. BVV was zijn voetbalclub en hij hield van de Radetskymars. Op de andere grammofoonplaat die hij bezat stond draaiorgelmuziek. Hij leerde mij bandenplakken en brood bezorgen, net als mijn twee zussen. Met fietstassen vol tarwe, wit en ’s zaterdags ook krentenbrood en een enkel rolletje beschuit, reed ik op woensdag- en zaterdagmiddag naar de Dieskant, helemaal tot waar de schillenboer woonde. Hij was lang en ver, die dijk langs de Dieze, waar mevrouw van Kessel wilde dat je het brood in een theedoek aanbood en niet met blote handen, en waar ’s zomers de boterbloemen en margrieten bloeiden en ’s winters de kou me tot huilens toe voortjoeg. ‘Wa bende toch een lekker worstje,’ zei mijn vader als ik bij hem op schoot zat, mijn ijskoude handen in die grote warme knuisten van hem zodat het pijnlijke tintelen overging in roodgloeiende warmte. Op de andere route die ik vaak reed, keek ik, als ik niet op tijd thuis kon zijn voor het kinderuurtje van 5 uur, bij de laatste klant Swiebertje. ‘Ga toch zitten,’ zei mevrouw de Groot hartelijk, en dan genoten we samen van Swieb, Bromsnor en Saartje op het zwart-wit toestel in de hoek van haar overvol gemeubileerde kamer.

PappaBakkerij_02

In de bakkerij, jaren 50…

Zes baaltjes meel bakte mijn vader in de week. Dat was niet veel, maar het was niet anders. Een grote klant zoals het bejaardenhuis werd om de week door mijn vader van brood voorzien; de andere week was ome Nol, zijn broer, aan de beurt, die een stukje terug aan de Rijksweg zijn bakkerszaak had. Ze hadden het vak geleerd van hun vader, de opa die ik nooit gekend heb. ‘Brood en kleren hebben de mensen altijd nodig,’ hadden opa en opoe van Rooij tegen hun elf kinderen gezegd, en zo kozen de jongens hun vak: drie van mijn vaders broers waren kleermaker, twee van hen, net als hij, bakker.

opoe, opa en kinderen; papa links

Opoe Elisabeth Pennings en Opa Frans van Rooij met hun 11-tal; links mijn vader

De meisjes hadden geen beroep, die trouwden, naaiden, kookten en baarden kinderen. Mijn tantes van vaderskant waren hartelijke, praktische vrouwen. Zachtaardige types, evenals mijn ooms en mijn vader zelf. Enkelen hadden de gave van het woord. Als er een verjaardag was, vertelde oom Martin over vroeger, dat mijn vader als kind altijd zijn schortje verstopte omdat hij dat niet aan wilde voor school, en dat ze met de hondenkar brood bezorgden en konden schaatsen op de Maas. Ook als tante Guus op haar praatstoel zat kreeg de wereld kleur. Opoe van Rooij, die van een boerderij kwam, heb ik net zo min gekend als opa Frans van Rooij, mijn vaders vader. Maar Heintje Pek kende ik wel. Zijn bestaan was een vondst van deze opa: om de kinderen te behoeden voor een val in de kleine Kerkwiel, het diepe water aan de rand van de Kalverschaar, ging het verhaal dat onder dat donkere oppervlak een wezen woonde dat je vastgreep en het water introk als je te dichtbij kwam: Heintje Pek. In mijn verbeelding een soort Gollem met lange tengels en een gemeen smoel. Mooi dat we wel wijzer waren dan daar bij in de buurt te komen!
Van opoe heb ik ooit bij een latere verhuizing van mijn moeder een lepelvaasje uit de afvaldoos gered. Een poos geleden brak het glas, maar de verzilverde ring van de opening bewaar ik plechtig, als tastbaar voorwerp met een verre echo van een van mijn voorouders.

 

Jeanne 1921 - 001

1921: Oma en Opa Goedmakers, mijn moeder (l) en tante Nettie

Mijn moeder

was van burgerlijke komaf. Haar vader, Jef Goedmakers, was beroepsmilitair. Ze zag hem huilen toen Nederland in mei 1940 capituleerde en vertelde meer dan eens hoeveel indruk dat maakte. Mijn moeders moeder gaf ooit, voordat haar vijftal het levenslicht zag, pianoles. Ze had op de kweekschool gezeten, maar moest er vanwege de situatie thuis voortijdig af. Haar vader, overgrootvader Kreté, had een kwade dronk en mijn overgrootmoeder had thuis steun nodig.
‘Als Moeke niet thuis is, is het koud,’ vond mijn moeder vroeger. Als kind was ze huismusserig en verlegen. Als Sjaantje in de verte vriendinnen van haar oudste zus zag aankomen, ging ze gauw een blokje om.

Jeanne 1930 - 002

Jeanne Goedmakers, mijn moeder, spelend op straat in Den Bosch

Na de lagere school ging ze als een van de besten naar de zevende klas, de latere ulo (uitgebreid lager onderwijs), maar na de achtste hield ze het voor gezien. Er was een klein zusje thuis, dat vond ze leuker, en oma kon wel wat hulp gebruiken van een pietje precies zoals zij, haar tweede dochter. Toen er voor Jeanne thuis geen werk genoeg meer was, ging ze bij ene juffrouw Miep in de kruidenierszaak werken.
Pienter en accuraat was ze, die moeder van mij. En een haaibaai was ze ook. Nadat mijn vader met haar getrouwd was en zij ontdekte dat hij een klant met weinig geld – een vrouw met vijf kinderen en manlief in de bak – geen rekening bracht voor het brood van die week, was ze furieus. ‘Die mensen moeten toch ook eten,’ was mijn vaders motief. ‘Ach jij, jij bent niet zakelijk,’ verweet mijn moeder hem. Het eeuwige conflict tussen die twee… Mijn vader goedig, hardwerkend, de eenvoud zelve, mijn moeder de pittige flapuit met standsbesef. Zij keek op tegen de pastoor, de dokter en andere meneren en mevrouwen en sprak over ‘minder soort volk’ als mensen niet aan haar burgerlijke normen voldeden. Mijn vader was een ambachtsman die hield van zijn creaties. ‘Kijk toch eens hoe mooi,’ kwam hij nu en dan de bakkerij uit gestapt met in zijn handen een bijzonder geslaagd ‘knip’, vers uit de oven.
Mijn moeder was een middenstandsvrouw tegen wil en dank. Altijd dubbel belast. Als de winkelbel ging moest ze het voeden van haar kleintjes of het koken van het middageten afbreken. Geïrriteerd stapte ze dan ‘naar voren’, mopperend op de mensen die juist dan naar de winkel kwamen; en het waren niet eens vaste klanten, want die bediende papa met de bakfiets. Na sluitingstijd de vloeren schrobben, slechts één vrije dag in de week – de zondag, voor kerkbezoek, voetballen kijken (hij), bezoek aan oma (zij) – en maar één week vakantie per jaar, in augustus. Dan gingen ze samen fietsen met ons, elke dag een andere route. Of zij ging een dagje naar een grote stad met haar drie dochters. Daar gaf hij niet om.
De drie zussen en de broer van mijn moeder waren zenuwachtige types met harde stemmen en haar op hun tanden – en op hun bovenlip. Oma woonde op een bovenhuis, had een kleurrijk knopendoosje waarmee we als kleinkinderen mochten spelen en at rosbief bij de boterham. Tante Rietje, mijn peettante, nog ongetrouwd, woonde bij haar en zij had nog kinderboekjes van vroeger. Zoals over wilde Roos die haar been brak, vlak voor haar Eerste Communie; zo erg.

Opa Jef Goedmakers

Opa was er al gauw niet meer, maar tot zijn hart het begaf werkte hij bij ons in de tuin en als ik hem hielp met erwtjes zaaien kreeg ik een dubbeltje. Oma werd oud en nog chagrijniger dan ze in mijn herinnering altijd al was. Een deel van haar chagrijn is vast en zeker terug te voeren op haar gefrustreerde ambities, maar ze was hoe dan ook geen lieve oma. Als je haar feliciteerde met haar verjaardag vroeg ze verontwaardigd waarom het in hemelsnaam een felicitatie waard was dat ze weer een jaar ouder was. ‘O, was ik maar dood,’ zong ze spottend, ‘die ik liefheb die krijg ik toch nooit. En die ik niet mag, ja, die zie ik haast elleken dag.’

oma 19700001

Oma Betsie Kreté

Toen ik begin jaren tachtig zwanger was van mijn eerste kind zonder dat ik meende te hoeven trouwen, zei oma: ‘Ze hoeft hier niet meer te komen.’