Grootmoeders

Mijn oma van vaderskant, opoe van Rooij, heb ik nooit gekend. Ze stierf jaren voor mijn geboorte. Opoe kwam van een boerderij, baarde zestien kinderen waarvan er elf opgroeiden. In de verhalen van mijn moeder was het een nors mens dat zich niet eens elke dag waste…
Zo kreeg ik in enkele woorden een beeld voorgeschoteld van de vrouw die mijn vader het leven schonk en wier genen ik draag en doorgaf. Er kwamen nog wat beelden bij toen ik mijn moeders levensverhaal optekende. Ze vertelde: ‘Toen je vader en ik trouwden, trokken we bij opoe en opa in. Dat heb ik geweten. Opa en opoe hadden de tussenkamer en je vader en ik de voorkamer. Die was wel door opoe ingericht, maar opa en zij kwamen er nooit. Op een dag – je zusjes waren al geboren – waren je vader en ik ’s avonds naar een verjaardag geweest en hadden opoe en opa opgepast. Ze zaten in de voorkamer, zodat ze die hummeltjes boven goed konden horen. Bij thuiskomst zag ik dat opa gewoon op het kleed had gekitst, naast zijn kwispedoortje! Bah!! En toen ik er wat van zei, kreeg ik van opoe deze opmerking naar mijn hoofd: “Nou, het is nog altijd ons kleed!” Nee, dat was niet leuk.’

Hoe beperkt is onze blik op wie voor ons leefden, onze voorlopers in de familielijn. Ik doe haar geen recht met deze herinnering, maar andere heb ik niet.

Jaren later kwam ik opoe tegen in een sjamanentraining. Ik zwierf door de Schotse natuur in een Vision Queest, op zoek naar mijn spirituele bondgenoten, mijn helpers vanuit de andere werkelijkheden. Als plant meldde zich onder andere de aardappel en in hetzelfde chakra trad opoe van Rooij naar voren. Ze straalde eenvoud uit, een kwaliteit die ik als gecompliceerde zoeker naar de zin van het leven met beide handen aangreep. Als ik me sindsdien op opoe afstem, zie ik haar met het aardappelmandje tussen haar knieën piepers schillen. Ze knikt me vriendelijk toe.

Mijn oma van moederskant woonde op een bovenhuis, had een kleurrijk knopendoosje waarmee we als kleinkinderen mochten spelen en at rosbief bij de boterham. ‘Toe nou, doe niet zo flauw, zing eens een liedje voor oma,’ drong ze aan als we zondags bij haar op visite gingen. Verlegen als ik was, bezweek ik toch onder de druk van mijn muzikaal begaafde oma. ‘Och wat een mooi zuiver stemmetje,’ waren de prijzende woorden waarmee ze me dan beloonde.
Andere complimenten kan ik me niet herinneren. Mijn moeders ‘moeke’ was geen lieve oma. Eerlijk gezegd was ze nogal chagrijnig. Een deel van haar chagrijn kwam vast en zeker door haar gefrustreerde ambities, maar hoe ouder ze werd… Als je haar feliciteerde met haar verjaardag vroeg ze verontwaardigd ‘Woarmeej?!’Waarom was het in hemelsnaam een felicitatie waard dat ze weer een jaar ouder werd? ‘Oh, was ik maar dood,’ zong ze spottend, ‘die ik liefheb die krijg ik toch nooit. En die ik niet mag, ja, die zie ik haast elleken dag.’
Toen ik begin jaren tachtig zwanger werd zonder dat ik meende te hoeven trouwen, zei oma: ‘Ze hoeft hier niemeer te kommen.’ Het liep niet zo’n vaart, maar vrolijk was het contact niet.

Ook haar doe ik geen recht met deze vileine pennenstreken, ik weet het. Maar wat ik ermee wil zeggen, is dat we allemaal zo onze persoonlijke plaatjes hebben van wat een oma is; dit zijn de mijne, het is niet anders. Maar ook Oma Goedmakers was natuurlijk een veel completer mens dan wat ik van haar kon ervaren. Een vrouw in haar tijd, in haar familielijn, met fijne en lastige karaktereigenschappen; waar ik ongetwijfeld wat van meepikte. Het kan niet anders of ze was ook moedig, kwetsbaar, verdrietig, grappig, moederlijk. ‘Moeke’ noemden haar kinderen haar… hoe lief klinkt dat niet! ‘Niet flauw zijn’ en ‘doen waarvoor je gekomen bent’ zijn twee van de boodschappen van haar voor mij waarin ze me raakt, daar waar ik nu ben.
Oma Goedmakers bracht vijf kinderen groot.

Nu word ik zelf weldra oma. In die lange lijn van grootmoeders, overgrootmoeders, betovergrootmoeders en alle voormoeders die aan hen voorafgingen, ben ik aan de beurt. Om aardappelen te schillen met een mandje tussen mijn knieën, mijn kleindochter vriendelijk toe te knikken, mijn knopendoosje voor haar tevoorschijn te halen en om – met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid – nog veel meer door te geven van wat mijn voormoeders me voorleefden… Wat lief of lelijk is zal mijn kleindochter straks uitmaken, daar ga ik niet over. Ik kan niet anders dan met hart en ziel, in mededogen met mijzelf, grootmoeder worden in de lijn van wie mij voorgingen. Als eerbetoon aan mijn opoe en mijn oma, de vrouwen die achter me staan.
Loslaten wil ik, vernieuwen, verstillen.
Voor haar zingen zal ik; over de zon en de maan, de wolken en de wind… En wie weet groei ik stap voor stap uit tot een lieve, leuke, wijze grootmoeder.