Woestijn onder de wol

Er zijn van die dagen dat ik mijn hoofd niet boven het maaiveld van repeterende gedachten van somberheid en kluistering uitgestoken krijg. Een dilemma over volgende stappen waar ik niet uitkom, een stagnerende prop in een voorheen stromende vriendschap, een oude pijn, opgestoken in een huidige relatie… Onzekerheid, verdriet, angst. Het kan van alles zijn. You name it.
Nou heb ik van horen zeggen dat gevoelens op zichzelf nooit lang duren. Als we er vol in zouden gaan, met heel ons hebben en houden NU toelatend wat we voelen – erdoorheen ademend bij wijze van spreken – dan gaat het weer voorbij en hervinden we onze kalme bron, altijd en onverstoorbaar aanwezig onder de woelige wateren van onze emoties. Het zijn onze gedachten die tot in lengte van dagen kunnen mekkeren en jeremiëren, rondjes draaiend om een pijnpunt heen of een verdrietlied steeds weer herhalend, dag in dag uit van voren af aan, weg van de naakte waarachtigheid van onze gevoelens.

Er zijn van die nachten dat ik er niet van slapen kan. Van een dilemma over volgende stappen waar ik niet uitkom, een stagnerende prop in een voorheen stromende vriendschap, een oude pijn, opgestoken in een huidige relatie. Je kent dat wel. In de donzigheid van een te warm dekbed wordt alles nog erger en uitzichtlozer. Een woestijn onder de wol. God, mijn God waarom heb je mij verlaten? Dat werk.
Laatst in zo’n nacht kwam ik op het lumineuze idee om een van mijn sjamaanse vrienden te hulp te roepen. Het klinkt misschien wat buitensporig als je een ander pad gaat, maar ik heb in de jaren die achter me liggen een hele menagerie aan krachtdieren om me heen verzameld die mij tot spiegel en steun dienen als ik een beroep op ze doe. Ik zou er een boek over kunnen schrijven… Maar nu nog even niet. Nu wil ik je een troostrijke ervaring met mijn krachtdier de zeearend vertellen. Hij zweeft altijd boven mijn kruin als ik me op hem afstem. De kwaliteiten die hij me laat zien zijn overzicht, en de verbinding van boven met beneden; hij vliegt en nestelt in de hoogte, zijn voedsel is beneden…

Verzuipend in de aardse lessen hier beneden – vol dilemma’s, stagnerende proppen, oude en nieuwe pijnen – maak ik verbinding met ‘mijn’ zeearend. Hij landt op mijn schouders, zet zijn klauwen op mijn blote huid, voorzichtig maar stevig, naast de stof van mijn t-shirt. Dan spreidt hij zijn vleugels en laat zich rustig, op de thermiek, naar boven zweven, mij met zich meevoerend, naakt. Want tijdens het opstijgen schudt hij mij zachtjes uit mijn kleren, die als een slordig hoopje op de grond achterblijven. Heerlijk is het, vrij. Naarmate we stijgen zie ik dat bergje kleren daar beneden liggen als een oud kloffie; het is geweven – weet ik – van wie ik dacht te moeten zijn en wat ik hoog meende te moeten houden. Een stapeltje oude gehechtheden, beperkende identificaties, uitgespeelde rollen, overbodig geworden doelen, storende stukjes ego en wat dies meer zij.
Bevrijd van al die ballast voel ik me alsmaar lichter, totdat de zeearend me zachtjes in zijn nest legt, hoog op een rots. ‘Hier kun je uitrusten,’ lijkt hij me te zeggen, ‘tot jezelf komen.’
Puur voel ik me, schoon. Alle zorgen daarbeneden zijn schouderophalend ver weg. Het is alsof ik van binnenuit een zacht licht verspreid.

Sinds die nacht draag ik die zeearendplek, hoog op die rots, met me mee. Het is een oord van troost voor me, als de schoonheid van de lessen die mijn ziel me hier beneden voorlegt – je weet wel: dilemma’s, proppen, pijnen – me ontgaat…
Is het daardoor dat ik gister zomaar, heel stil en intens, het verdriet dat me deze dagen parten speelt kon toelaten? Het duurde niet eindeloos, het zeurde niet, het schreeuwde niet. Gek genoeg leek het op dat zachte licht vanbinnen. Puur, levend, vertrouwend.