Bossche bol

Ketsheuvel-poort-klein Laatst was mijn tante jarig, dus ging ik op weg naar waar ik vandaan kom: Orthen, bij Den Bosch. Voorafgaand aan die theevisite, zo had ik me voorgenomen, zou ik naar dat lieflijkste kerkhofje van de wereld rijden, waar mijn vader al vijfenveertig jaar begraven ligt en ook, sinds vorig jaar, een haffeltje van mijn moeders as. Zij wilde net zo lief gecremeerd worden – een van haar moderne trekjes –, maar wel liet ik een paar weken later, samen met mijn zussen en broer, wat verse as tussen de kieren van die oude grafsteen glijden.

Mijmerend maak ik mijn kilometers. Het komt in me op om als vanouds naar het verzorgingshuis te rijden, de hoofdingang door te gaan, de trap op en even later mijn moeders kamerdeur te openen… Maar dat is niet meer. Die fase van mijn moeders leven, waarin ze kromgebogen in haar stoel zat te dutten of achter haar rollator rondschuifelde, is doorleefd, klaar en uit. Ze is vrijgevlogen, en om haar te vinden hoef ik niet meer naar dat troosteloze oord vol hoogbejaarde vaders en moeders die hun laatste dagen slijten met luierbroekjes om hun oude billen, pillenverdelers op hun nachtkastjes en stramme gedachten in hun vermoeide hoofden. En naar die periode verlang ik echt niet terug.

In een impuls sla ik eerder van de snelweg af, zodat ik langs het crematorium kom waar we mijn moeders lichaam uitgeleide deden. Intense dagen waren dat, vol toewijding en eerbetoon. Maar de plek ligt er kaal en zakelijk bij; daar heb ik niks te zoeken.
In de bermen tussen de dorpen wemelt het van het fluitenkruid, dus ik stop even en pluk wat. Even later open ik het knarsende poortje van de begraafplaats. Vogeltjes en ruis van wind door de bomen is alles wat geluid maakt in dit hofje vol graven; geen levend mens laat zich er deze middag zien. Een berkenwortel die tussen de losse leistenen op mijn vaders graf door piept, vormt een nieuwe spruit, helder groen. Mooi, zo met mijn bosje fluitenkruid ernaast.

Ik observeer mezelf. Wat bracht mij hier? Weemoed om die twee voorbije levens. Dat ze ooit kind waren, speelden, opgroeiden – ook zij met elk een vader en een moeder. Dat ze met elkaar lachten, fietsten, jong en mooi; dat ze ruzieden, werkten, kinderen kregen; zorgen hadden en verdriet. Dat ze die poort doorgingen, weg van hier. Ik houd van de diepte die ik voel als ik erbij stilsta dat wie ik kende als mijn ouders, twee complete mensen waren, los van mij.  Maar tegelijkertijd was niemand zo onontkoombaar van invloed op mijn bestaan als zij. Zij droegen aan, gaven door; hun kader, ideeën, manier van leven. Vaders en moeders zijn voor altijd.
Toch, voor contact met ze hoef ik hier niet heen; als ik mij afstem kan ik hun ziel overal vinden… Maar ze trekt, deze plek. Het is er oer, zo tussen de graven en het groen. En van hieruit drie keer languit vallen staat mijn geboortehuis. Hier liggen mijn wortels.

Scharrelend daal ik af in mijn stilte, open me beetje bij beetje voor die zachte laag van de werkelijkheid waar de grenzen tussen hier en daar en ooit vervagen. En dan zie ik ze voor me, mijn ouders. Ze stralen zachtjes, bevrijd van gedane zaken. Ze voelen wijzer en lichter dan bij leven. Saamhorig glimlachend knikken ze me toe. Ik voel hun bemoediging, ze hebben weet van mijn besognes en oordelen mild als geen ander. Los als ze zijn van hun aardse mankementen, voel ik sterker dan ooit hoe ze me dragen. Hoe ze mijn leven lang al bedding zijn voor mijn ziel.
Zachtjes ritselen de blaadjes van de berk, en na een ommetje langs het woest overwoekerde graf van mijn vaders ouders – hun namen nog net leesbaar – verlaat ik deze stille plek. Het is tijd voor thee met mijn tante. En een Bossche bol.

foto: Doodstill- begraafplaatsfotografie

Meer lezen?

Artikel Wie vóór ons leefden, staan achter ons , gaan en staan in de lijn van je voorouders.

Artikel Je ouders… je spirituele leraren?