De steen, de dood en het leven

In Orthen, een gehuchtje aan de noordkant van Den Bosch, rust een lieflijk kerkhofje. Daar ligt mijn vader begraven. Mijn moeder niet. Ze had niks met dat graf en – met haar tijd mee als ze ging – cremeren vond ze prima. Ze bleef mijn vader haar leven lang trouw, maar samen in een graf, daar merkte je toch niks van, dat hoefde niet. We betaalden dan ook al jaren geen grafrechten meer, maar omdat er geen nieuwe plekken meer gepacht kunnen worden op dat idyllische hofje, ligt het graf van Frans van Rooij er al vierenveertig jaar patent bij. Ik kom er zo nu en dan. Niet omdat ik per se daar moet wezen om contact met mijn vader te maken, maar ik houd van de verstilling, het oude Orthen dat er ademt. Mijn vaders vader en moeder liggen er ook begraven en als de wind er door de bomen ruist wordt mijn besef dat er een hele lijn van voorouders aan mij vooraf is gegaan gevoed. Daar houd ik van.
Op een dag in het afgelopen najaar ging ik erheen voordat ik mijn moeder bezocht. Staand onder de berk die zijn takken over mijn vaders graf buigt, stemde ik me haast vanzelf af op zijn wezen. Ik vroeg hem, of hij wat voor mijn moeder kon betekenen, of hij een handje kon helpen vanuit de dimensie waar hij vertoefde. Ik had zo met haar te doen. Het was fijn om de zielsverbinding tussen die twee aan te spreken en de lieve glimlach van mijn vader die ik voor me zag, gaf me troost.
Als symbool voor het lijntje dat ik met mijn vader heb, nam ik een los stuk leisteen mee van zijn graf. De wortels van de berk hadden het omhoog gewerkt.’ Ik ben nog even naar papa’s graf geweest,’ vertelde ik mijn moeder even later, ‘en ik heb een praatje met hem gemaakt.’
‘Zo,’ zei ze.
‘Ik heb hem gevraagd,’ vervolgde ik, ‘of hij Onze-Lieven-Heer wil vragen of je minder pijn kunt hebben of dat Hij je anders maar komt halen… Maar, ‘bedacht ik toen hardop, ‘ben je het daar wel mee eens?’ Verrast keek ze me aan. ‘Dat zou wat zijn,’ glimlachte ze hoopvol.
In zulke gesprekjes kwamen haar geloof in een of ander hiernamaals en mijn aanname dat we deel uitmaken van andere werkelijkheden dan de materiële, bijna vanzelfsprekend samen. Maar een priester hoefde ze er niet bij, tijdens haar ziekte of bij haar afscheidsdienst. ‘Die weten er toch geen van allen iets van,’ zei ze altijd. Het laatste wat ze over meneer pastoor opmerkte was, na de mis met Kerst: ‘Zo’n knappe vent. Zunde veur God dat die priester is geworden.’
Dat dan weer wel…

De steen van mijn vaders graf ging in de maanden die volgden een eigen leven leiden. Op mijn altaartje lag hij symbool te wezen voor mijn verbinding met het tijdloze. In diezelfde periode werd ik me ervan bewust, dat ik de dood – de mijne – al te vaak als een aanlokkelijk alternatief zie voor mijn geworstel op deze aardkloot. Daar wilde ik wat aan doen. Ik besloot om uit volle borst ‘ja’ tegen het leven te gaan zeggen – inclusief de nee’s. Om dat besluit te bekrachtigen nam ik me voor, om de-dood-als-oplossing in een zelfbedacht ritueel te verbranden. En wat was beter geschikt als tastbaar symbool voor de dood dan die steen?
Het ritueel kwam er nog even niet van – hoe verbrand je een stuk leisteen? – maar januari jongstleden, op de dag van mijn moeders crematie, diende zich een mogelijkheid aan: ik zou de steen meegeven aan mijn moeder, in de kist! Dan deed hij meteen mooi dienst als verbindingsstukje tussen mijn vaders plekje onder de berk en de as van mijn moeder.
Het speet de uitvaartconsulente zeer, maar voor de verbrandingsoven was die steen te groot. Dat spat en knalt teveel. En zo kwam het ervan, dat de steen van mijn vaders graf tijdens mijn moeders afscheidsdienst boven op haar kist lag, als een stille toehoorder van hoe hun viertal het woord nam, elk in een heel persoonlijk eerbetoon.

Ze zeggen, dat stenen de bibliotheken van de aarde zijn; dat ze al haar verhalen bewaren. Een steen neemt de trilling van alles wat er om hem heen gebeurt in zich op en als we stil genoeg zijn en luisteren, vertelt hij ons wat hij gehoord en gezien heeft.
Zo ligt dat stuk leisteen nu in mijn kastje met foto’s en spulletjes van mijn ouders. Als een zacht fluisterende getuige van wat was, is en zal zijn.

Naschrift
‘Ik schrok, ‘vertelde mijn zus me vandaag. ‘Ik wist niet dat jij de dood als oplossing zag voor de worstelingen van het leven.’ Ik vertelde haar erover. Ik ben niet suïcidaal. Maar ik kan me heel hopeloos voelen over wat ik hier kom doen. Dat is een deel van mijn pad. Laatst werd ik heel enthousiast bij het lezen van een interview met Arthur Japin. ‘Hij zegt het gewoon!’ dacht ik. ‘Hardop!’
Japin: ‘Ik ga vrolijk door het leven, maar ik vind het leven ook erg zwaar en ingewikkeld. Om dat tot een goed einde te brengen… Ik vind het leven eigenlijk te veel gevraagd voor een mens. Het is een te grote opdracht. Maar we gaan het tot het eind volbrengen. Alles wat leuk en vrolijk is, helpt. Daar geven wij ons van harte aan over. Intussen wacht ik al mijn hele leven op de dag dat het afgelopen mag zijn. Zo van: ik mag gaan. Dat lijkt me heerlijk.’
Dat liedje ken ik, maar als er van de vrolijke noot weinig te bekennen valt, trek ik mezelf – als de baron van Münchhausen – uit de modder. In een ritueel bijvoorbeeld. Of door te zingen. Of te bidden. Of door het leven te dansen, met alles erop en eraan. Zoals Godfried het hierboven zegt: ik creëer mij een weg… van schoonheid en troost. (Want het zal me toch niet gebeuren dat iedereen om mij heen denkt: die vrouw van dat liedje van Brigitte Kaandorp ’Ik heb een héééél zwaar leven’… Dat is Riet!)