Dikke kont

Heb ik Kitty Kritiek weliswaar de boom in gestuurd, maar dacht je dat ze daarvandaan haar zegje niet meer deed? Ze staat al dagen op een dikke tak naar me te zwaaien en te roepen. Ze eist aandacht. Over die domme actie van me, een loos bericht te sturen. En de nog dommere actie daar weer een verklaring achteraan te bloggen. Die heb ik dan ook maar weer weggehaald, want ik geef Kitty gelijk. ‘Dat hoef je helemaal niet te doen,’ zegt ze. ‘Allemaal ruis.’
Waar ze me ook op aanspreekt, is op mijn onderwerp-tot-nu-toe: mijn moeder en haar dood. ‘Heb je niks anders te melden dan?’ blaft ze me toe vanuit haar beuk. ‘Beetje sentimenteel doen over je moeder. Zo mooi en fijn was je leven als haar dochter toch helemaal niet! Doe jij dan ook al mee aan ‘over de doden niks dan goeds?’ Bah!’
‘Nondeju, Kitty, wat ben jij recht voor je raap zeg. Je lijkt… uhmm…mijn moeder wel. Die kon er ook wat van. Jij bent, oh innerlijke critica van me met je onversneden harde oordelen, duidelijk bij mijn moeder zaliger in de leer geweest. Je bent alleen een paar graadjes erger. Een punt heb je wel, daar niet van. Ik heb nog veel en veel meer te vertellen dan de mooie en ontroerende verhaaltjes uit ons mam d’r laatste weken, maar nu nog even niet. Dus ik ben zo vrij er weer een te plaatsen op mijn eigenste blog, waar ik me los wens te wanen van jouw bemoeienissen. En als ik ben uitverteld over ons mam, zal ik eens een boekje opendoen over jou, Pia Perfectionisme, Olga Onzekerheid en al die andere troela’s die ik met me meedraag. Ben maar niet bang dat je geen aandacht krijgt…’

Twee dagen voor haar dood zijn mijn zussen en ik mijn moeders kamer aan het herinrichten. Haar bed moet verzet, ze wil tv kunnen kijken, dus wij drieën sjouwen met kastjes en tafeltjes en installeren haar uitkijkpost. Buk ik me om een gevallen kleedje op te rapen, zegt ze: ‘Ge het un dikke kont!’ Ik proest het uit en zeg: ‘Als ik iets niet heb is het een dikke kont. M’n heupen zijn wat breder geworden, ja, maar mijn kont is niet dik. Die is plat en spits; daar krijg ik zelfs klachten over, thuis…’ We lachen samen.
Hoe vaak viel ik stil, of mompelde wat, als ze me kwetste met haar lompe kritiek.. ‘Wa hedde nou toch weer aan?’ ‘Wa zitten oew hoaren toch slordig.’ ‘Ge bent net un dikke pad…’ Niet alleen ik, iedereen kreeg ervan langs. Wij kinderen direct, anderen indirect. Chagrijnen  met dikke koppen en konten, lelijkerds, ouwe rimpelhoofden en dove kwartels bevolkten haar universum. Knappe meiden, een enkele leuke vent en wat lieve ‘meskes’ daargelaten. Maar wat ze vond, dat hield ze niet voor zich. Ik heb een lange weg afgelegd om de pijn van haar oordelen te kunnen voelen, uiten en loslaten. Een paar jaar geleden nog maar kon ik haar open en volwassen zeggen wat haar woorden met mij deden. Ze bood toen haar excuses aan en deed sindsdien haar best door mijn mooie ogen of leuke trui te roemen, maar haar aard kon ze niet verloochenen.
Nu, terwijl ik even later naast haar bed zit, vraagt ze: ‘Heb ik je daar nou mee beledigd, door wat ik over je achterwerk zei?’
’Nee, hoor, mam, ik weet wie het zegt,’ antwoord ik glimlachend. ‘Maar… wat zou je doen als ik ja zei? Zou je het dan terugnemen?’
Met een  twinkeling in haar ogen kijkt ze me aan. ‘Nee’, zegt ze dan. En ik twinkel mee.
Zo vlak voor de dood ons scheidt, besef ik achteraf, ‘op het scheien van de mert,’ slaag ik voor mijn eindexamen moederwondheling.