Niks is wat het lijkt

Een dezer dagen heb ik mijzelf in contact met mijn moeder gedroomd. Nee, niet ‘s nachts, zoals laatst in die droom over de kelder. Wat? Heb ik die nog niet verteld? Ik droomde dat we met haar in ons huis van vroeger waren, op de binnenplaats. Ze lag in een ijzeren ledikant, maar opeens stond ze op. Met een wit gewaad fladderend om haar kleine gestalte, snelde ze naar de keuken met de zeven deuren. (Nee, dit is geen sprookje, zo’n keuken hadden we echt. In het centrum van dat kleine zakenpand kwamen de deuren samen van de winkel, de woonkamer, de kelder, de trap naar boven, de bakkerij, de binnenplaats en de zijkamer.) In mijn droom spurtte mama langs ons heen en schoot een van die deuren in… ‘Oh help,’ droomde ik, ‘als ze maar niet de kelder in gestort is.’ En wakker was ik.
Het was in die dagen dat ik het pijnstilravijn aan het verwerken was, haar (te) plotselinge vlucht vooruit aan de hand van Mrs Morfine. Dat ze in mijn nachtelijke droomreis in een doodshemd de keldertrap af stortte, weerspiegelde mijn angstige bezorgdheid daarover in een ander jasje…

Nu ging ik er bewust voor zitten om contact met haar te maken. Op klaarlichte dag.
‘Ik zie wel hoe het is,’ had ze over de dood gezegd, en nu ze dan door die poort heen was, wilde ik best eens van haar weten hoe het er was.
Ik stemde me af op die andere laag van de werkelijkheid waar sjamanen, zieners en dromers van alle tijden en culturen heenreizen om ruimer zicht te krijgen dan dat van de ratio. Vrijwel meteen zag ik haar voor me. Breed, stevig, licht en aards. Alles aan haar was groter dan het was. En haar buik straalde. Om precies te zijn, haar onderlichaam vormde een prachtig hart. Bij haar navel lag het dalletje tussen de twee helften, terwijl de onderste punt samenviel met haar kruis. Vrouw en moeder, bloeiend, gelukkig. Zo zag ik haar.
Ik vroeg haar of het een beetje was zoals ze gehoopt had. En of ze haar papa en moeke had gezien, en of ons pap er ook was. ‘Ja natuurlijk,’ leek ze te zeggen. Fijn was het daar, en vertrouwd. Zonder meer. ‘Maar,’ liet ze me weten, ‘denk maar niet dat we nu de hele dag theedrinken met mekaar of samen in de zon fietsen. Ben-de toch gek.’
Nee, nee, mam, dat snap ik. Maar wat dan wel?
Daarop zag ik haar – oud al – zittend in haar stoel. ‘Tja, wat zal ik er eens van zeggen?’ zuchtte ze karakteristiek. Er volgden meer beelden van haar: hoe ze met een flinke bos haar en een grote bril op – outfit zeventiger jaren – in de weer was met vriendinnen; hoe ze in ons oude huis de vloer schrobde, met een schort voor; hoe ze verliefd opkeek naar mijn vader; touwtje sprong als grietje van acht… Taferelen uit haar leven, in omgekeerde volgorde dan de tijd.
‘Maar mam,’ vroeg ik, ‘je wilt me toch niet vertellen dat je waar je nu bent wéér gangen aan het schrobben bent en al die aardse rompslomp meer?’
‘Tuurlijk niet,’ liet ze me weten, ‘maar ik ben wel m’n hele leven aan het nalopen en verwerken; ik krijg nou te zien wat het allemaal te betekenen had.’

Dat er zoiets plaatsvindt las ik in diverse boeken, van esoterie tot bijna-doodgetuigenissen, van oude wijsheid tot nieuwe, en natuurlijk bepaalt mijn persoonlijk opgebouwde gedachtegoed, samen met mijn ruime ervaring met het maken van innerlijke reizen, mede wat ik op zo’n reis zoal hoor en zie, maar nu ik dit zo heel vanzelfsprekend van mijn eigen moeder hoorde, werd het bijna aards gewoon.
‘Klaar ben-de nooit,’ vervolgde ze. ‘Of je nou leeft of in den hemel bent, je ontwikkeling gaat door. Dus,’ voegde ze er als persoonlijke boodschap voor mij aan toe, ‘denk er maar niet te romantisch over.’ Waarbij ze overduidelijk refereerde aan mijn escape-illusies bij vlagen van levensmoeheid.
‘Maar mam, is het niet lichter dan? Vrijer, losser, leuker…?’
‘Oh zeker, nou en of. Maar je bestaan is hier niet afgelopen. En alles en ieder heeft zijn eigen tijd.’

Opnieuw zie ik haar als de stralende vrouw met haar buik als een hart, met terugwerkende kracht tevreden over haar leven. De ontmoeting is voorbij. Vervuld en opgewekt blijf ik achter. Zo spaarzaam als ik me bij leven gesteund heb gevoeld door mijn moeder, zo warm en wijs is ze nu….
‘Zo zie-de mar, Marietje,’hoor ik haar in mij gniffelen, ‘niks is wat het lijkt.’